Categorie archieven: Maatschappij

Wat zijn dit voor vragen? Vraag 1 van 6: zorgwekkende ontwikkeling.

Van de zomer viel mijn oog op een terugkerend artikel in De Volkskrant. Er werden aan verschillende mensen steeds dezelfde zes vragen gesteld. Ik nam mij voor die vragen zelf ook eens beantwoorden. Ik doe dat steeds één per blog.

Hier volgt de eerste Volkskrant vraag.

Over welke ontwikkeling maakt u zich het meeste zorgen?

Wat het eerste bij mij opkomt is de toenemende bureaucratie. Er zijn natuurlijk nog wel meer zorgen, zoals oorlog, terrorisme, martelingen, ontbossing, enzovoort. Maar ik wil het even hebben over wat het eerste in me opkomt.

Ik vind het zorgwekkend wat er allemaal aan regels wordt bedacht en hoe ze worden toegepast. Waar dan ook en door wie dan ook. En dan heb ik het nog niet over de vervolgens elkaar tegensprekende regels. Via mijn kinderen heb ik te maken met de regels voor het volgen van universitaire studies. Je weet niet wat je meemaakt: de brei aan regels is als een tsunami. Iemand die daarin goed de weg weet, heeft succes. En vervolgens wordt er over die regels en procedures alleen maar gemaild, inclusief de daarbij behorende fouten en miscommunicatie. Er is geen persoonlijk contact. Voortdurend komen er zodoende andere mensen aan het woord. Dat betekent dat bovenop al deze regels ook nog eens een zorgelijk communicatie issue aan het ontstaan is, om maar te zwijgen over de begripsverwarring.


Bovendien is dit een zorgelijke ontwikkeling omdat het wantrouwen in de hand werkt, respectievelijk vergroot. Men vertrouwt gezagdragers niet meer, de claimcultuur wordt in de hand gewerkt.

Onderwijs is dus zo’n voorbeeld. Docenten raken overwerkt, niet zozeer door de druk die lesgeven met zich meebrengt, die is immers van alle tijden, nee, het omgaan met de regeldruk is de belastende factor.

Op talloze andere gebieden is regelgeving ook alom aanwezig of in aantocht: de regelgeving over pensioenen, met alle onbegrip, starheid en soms gewoonweg domheid van dien. Hoe kun je over een ingewikkeld onderwerp als pensioenen communiceren, als er tegelijkertijd wordt geëist dat bepaalde juridische teksten dienen te worden gehanteerd?  Zomaar een voorbeeld. Waarin sprake van tegenspraak is. Toezichthouders schrijven van alles voor, risicomijdend en bang als ze zijn. Ik heb daar al eens eerder een blog aan gewijd.



Wat dacht je van de regelgeving uit ‘Europa’? Europa en de Europese Unie zijn wat mij betreft een prima idee, het vermijden van oorlog, het bevorderen van de economie, ik sta daar helemaal achter. Maar graag zonder de bureaucratie. Wie had kunnen bedenken dat deze tomeloze bureaucratie zou ontstaan. Een bureaucratie waar niemand iets aan schijnt te kunnen doen, de machthebbers accepteren het, stimuleren het zelfs. Het effect is dat de burger zich langzaam maar zeker van Europa afkeert en dat het oorspronkelijke grootse idee, één verenigd Europa, teloor gaat.

Ons strafrecht

Ik keek laatst naar De Wereld Draait Door en daar zaten twee advocaten die Robert M tijdens zijn proces hadden bijgestaan en verdedigd. Je weet wel, Robert M is die superpedofiel die het grootste kindermisbruik ooit op zijn naam heeft weten te krijgen. Verschrikkelijk!


De vraag aan de twee advocaten was, hoe ze dat hadden kunnen doen, zo’n verdediging. Hoe stonden ze daarin, hoe gingen ze te werk en vooral, hoe was het om urenlang naar de beelden van kindermisbruik te kijken.

Dat viel allemaal niet mee, zo vertelden ze. Vooral het zien van de beelden was ronduit erg, maar moest in het kader van de verdediging wel gebeuren. Dat hoort er nou eenmaal bij, zo zeiden ze.

Wat ook erg lastig voor hen was, waren de hate-mails en -voicemails. Ook dat hoort er bij. Ze zijn professionals en doen hun werk.

Erg verkwikkend was het allemaal niet. De hate-mails zijn een uiting van onmacht en onbegrip. Wat mij het meeste dwars zit is, dat ondanks het feit dat Robert M en zijn trawant schuld bekennen, deze professionals proberen vrijspraak te bewerkstelligen. Ze stelden dat het hun plicht is. De wet schrijft het voor. Dat klopt ook wel, ons strafrecht is van oudsher altijd op de bescherming van de verdachte gericht geweest en niet op het slachtoffer.
Je zou verwachten dat toepassing van het strafrecht in het geval van een bekentenis een andere weg inslaat. Iedereen heeft recht op een goed en fair proces, niets mis mee, sterker, het is een van de hoekstenen van een beschaafde, democratische samenleving. Dus ook de Robert M’s van deze wereld hebben dat recht. Maar als hij bekent, zou het naar mijn idee niet meer over vrijspraak moeten gaan, maar over het proces zelf: hoe is hij tot zijn bekentenis gekomen, hoe wordt hem zijn straf opgelegd en hoe zit het met de uitvoering daarvan. Tot vrijspraak kan het niet meer leiden, ervan uitgaande dat de bekentenis volgens de regels is verlopen.
Fouten mogen daarbij niet gemaakt worden, de dagvaarding moet kloppen, de bekentenis mag niet op valse gronden of ondeugdelijk zijn verkregen, ter zitting kunnen rechters eventueel gewraakt worden, enzovoort. Maar het eindresultaat staat vast: er volgt hoe dan ook een veroordeling. Een fout, hoe groot of klein ook, kan nimmer tot vrijspraak leiden, bij iemand die volledig en volgens de regelen der kunst bekend heeft. De bekentenis van een misdrijf dat zo’n maatschappelijk effect sorteert. Zo’n collectieve uitbraak van walging en afschuw: dat dit heeft kunnen gebeuren. Dat zulke mensen bestaan. Wraak mag hierbij niet de drijfveer zijn, maar de bescherming van de bevolking. Bescherming tegen iemand die zo ziek is.
En wat zeggen deze advocaten? Wij zijn professionals. Het is onze taak, zelfs onze plicht om bij een fout, ook al is het slechts een procedurele, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging te eisen.
Stel nou dat er inderdaad een fout door de rechter is geconstateerd. De advocaten hebben succes: er volgt vrijspraak. Gaat dan de vlag op het desbetreffende advocatenkantoor uit? Vloeit de champagne rijkelijk? Komt op het kantoor CV te staan: met succes vrijspraak verkregen voor super kindermisbruiker Robert M?
Er is iets mis met ons strafrecht.

Woman Only

Onlangs had ik weer eens een verwonderpunt. Wat was het geval?
Langs de snelweg op een parkeerplaats stond het bord ‘woman only’. Het was bij Hajé restaurant langs de A6, iets voorbij Almere.
Je weet wel, iets verderop heb je de Noordoostpolder, met daarin het eiland Schokland. Daar heb ik wel eens over geblogd. Dat geheel terzijde.
Wat is dat nu voor een bord, vroeg ik mij af? ‘Woman Only’. Ik zag het bord toen ik op die parkeerplaats met mijn dochter, Renée, een stop maakte. We gingen in het wegrestaurant even een tosti eten. Het was midden op de dag, er stond niemand, net zoals ook zo vaak het geval is bij invalidenparkeerplaatsen. Dat laatste vind ik overigens oké. Maar dit kwam wel wat raar over: ‘woman only’. En waarom in het Engels?
Mijneerste reactie was dat dit discriminerend is: hoe kun je vrouwen nou anders behandelen? Navraag bleek op te leveren dat het om ’s nachts zou gaan. De parkeerplaats is het dichtst bij het restaurant gelegen. Net zoals overigens die voor de invaliden. Ook al niet zo’n fijn idee. Om daarmee op een hoop te worden gegooid.
Het idee bleek te zijn, dat ’s nachts vrouwen, door op deze voor hen gereserveerde parkeerplaats te parkeren, het restaurant veiliger kunnen bereiken. Ze moeten nog steeds een stuk lopen, hoor. Want de parkeerplaatsen zijn door de lokale omstandigheden ter plaatse niet direct naast het restaurant gelegen. Dus de risico’s blijven aanwezig. 
 
Ennu komt het: ’s nachts is het restaurant gesloten!
Hoe dan ook, overdag is zo’n speciale parkeerplaats voor vrouwen niet nodig. En onnodig betuttelend. Iedereen zou op die plaats moeten kunnen staan.
Volgendevraag, hoe dwing je dit af? Staat op de auto ergens een teken, deze auto is van een vrouw? Liggen misschien schoenen met hoge hakken (stiletto’s) op de bank?

Doorstroming verkeer: duurzaam


Valt u dat nou ook op? De stoplichten zitten altijd tegen. Er zijn kruispunten waar je voor staat te wachten en vanuit de andere richting blijven de andere auto’s maar doorrijden. Er komt geen eind aan, zo lijkt het. En als je zelf eens vanuit die richting komt aanrijden, springt het licht binnen de kortste keren op rood.

Of, als je dan eindelijk weer rijdt, moet je binnen de kortste keren verderop weer opnieuw stoppen?  De lichten zijn niet op elkaar afgesteld. En dat zou eigenlijk wel moeten.  Want de hoeveelheid energie die opgebracht moet worden tijdens het optrekken, stoppen en weer opnieuw optrekken, met al die auto’s, is enorm.
Want als ik op de elektronische energiemeter van mijn auto kijk, dan blijkt dat hij bij een rustig gangetje van zeg 100 km per uur, zo’n één op twaalf rijdt, dat wordt uitgedrukt als acht en een halve liter op 100 km: 8,5l/100km. Bij het weer optrekken van de auto, bij een stoplicht dat op groen springt, klimt dit op naar 45l/100km. Dus dan rijdt de auto even bijna één op twee! Daarna zakt dat via bijvoorbeeld 30l/100km naar normale waarden. Zouden de stoplichten beter op elkaar worden afgestemd, dan zou ik langer één op twaalf kunnen rijden en daarmee energie sparen. Minder belastend voor het milieu. Duurzaam dus. Staat hoog in het vaandel van menig gemeenteraadslid.

Maar wat blijkt, doorstroming van het verkeer en daarmee energiezuinig rijden heeft geen politieke prioriteit. Het belangrijkste is de auto uit de stad te weren. De leefbaarheid vergroten, heet dat. Dus worden er talloze maatregelen bedacht om het de automobilist zo lastig mogelijk te maken. 

Behalve niet op elkaar afgestemde stoplichten, het opheffen van parkeerplaatsen, krijgen voetgangers en fietsers op de geváárlijkste plaatsen voorrang (op rotondes bijvoorbeeld), om maar te zwijgen van trams en bussen. Enorme stukken weg liggen er stil er verlaten bij, de trambaan, met ernaast een hele lange file op de enkele baan ernaast. En het staat allemaal te ronken, te vervuilen, door alsmaar te stoppen en op te trekken en dus energie te verspillen. Zeer milieubelastend. Over duurzaamheid en leefbaarheid gesproken!

Als de doelstelling en prioriteit doorstroming van het verkeer zou zijn, zou denk ik iedereen meer tevreden zijn.
De voetganger en de fietser hoeft niet altijd en eenzijdig voorrang te hebben. De stoplichten zijn daar nu op ingesteld, maar iedereen weet dat er geen voetganger of fietser is die zich daar iets van aantrekt. Licht op rood of groen, óf ze zien het niet eens, óf ze kijken of ze door kunnen rijden of lopen. Ze houden zich werkelijk nergens aan. Niet dat dat heel erg is. Het is wel erg als er een auto op een zebra afrijdt en de voetganger vervolgens tergend langzaam over de zebra lopen, zo van, dit is míjn recht, zie jij dat niet, jij vervuilende en energieverspillende automobilist!

Dienstplicht

Op 10 juli was het precies veertig jaar geleden dat ik in dienst ging. 10 juli 1973 dus. Wat is dat lang geleden.
Ik werd ’s ochtends afgezet door mijn ouders in Amersfoort, bij de Prins Willem III kazerne. Ik was pas twintig jaar oud. 
 
Daar ging ik. Ik voegde me in een stroom van andere, onzekere rekruten. Zo werden we genoemd. Wat ik me herinner is dat ik over het kazerneterrein liep samen met iemand anders, die zich voorstelde als Jan Soldaat. Ik had het aanvankelijk niet eens door. Ik had zoiets van, dat is ook toevallig. Ik ben het nooit meer vergeten, hoe dom kun je zijn, of anders gezegd, hoe opgeslokt door alles was er gebeurt en gaat gebeuren, kun je zijn? Enfin, ik heb hem niet meer terug gezien.
Ik werd ingedeeld bij de School Reserve Officieren Cavalerie, de SROC, een traditioneel bolwerk van aankomende reserve officieren, waar we vanaf het begin enorm trots op waren. Er ging van die school werkelijk iets uit, zo van hier zetelt de elite, hier willen we bij horen. Ik heb er een fantastische tijd gehad, ruim vijf maanden lang. 
 
We werden opgeleid tot pelotonscommandant, we ondergingen van tijd tot tijd hardship, we maakten een bliksemcarrière, namelijk van gewoon huzaar tot officier. Sommigen redden het niet en vielen af, kortom, voor iemand die pas twintig is, een buitengewoon enerverende en uitdagende tijd. 
 
De zogeheten parate tijd die daarna volgde, was veel minder leuk dan deze opleiding. Ik heb daar al eens eerder over geblogd (tanks 1, 2 en 3).

Prins Friso

Wat een treurig bericht: Prins Friso is overleden. Het lag voor de hand, toch komt het onverwachts. We leefden allemaal mee met het ski-ongeluk en de periode daarna, natuurlijk. Tegelijkertijd zijn we er ook niet zo mee bezig. Het leven van alledag slorpt ons op.
Het valt bij allerhande publieke optredens van de Koninklijke Familie en het Koninklijk Huis des te meer op, dat Prins Friso er niet bij is. Voor de inhuldiging op 30 april van dit jaar gold dat natuurlijk heel nadrukkelijk en bij uitstek.
Ook nu geldt, voor de Oranjes, de Koninklijke Familie, dat ze er altijd zijn, ook al zie je ze niet. Het feit dat ze er zijn, representeert de stabiliteit en continuïteit van ons land. Ieder in zijn of haar eigen hoedanigheden, zoals die van koning, koningin, prins of prinses. Dat is waar het Koningshuis, de monarchie, voor staat.
Dat vervolgens één van de leden hiervan een ongeluk overkomt en na anderhalf jaar overlijdt, is een schok voor alle Nederlanders. Bovendien voelt men mee met de echtgenote, de kinderen, de moeder en de broers. Dat is even belangrijk. Ik vind dat de Koninklijke Familie buitengewoon knap en met veel gevoel de combinatie tussen deze twee, soms tegenstrijdige, werelden – de staatsrechtelijke en de familiale – ook nu weer treffend hebben weten te leggen. Dat draagt bij, zo niet is de belangrijkste factor, dat het Koninklijk Huis ‘het zo goed doet’ en zich terecht in zo’n tomeloze populariteit mag verheugen. Het land vaart er wel bij!
Ook ik voel verdriet en zit met een brok in mijn keel tijdens deze treurige avond naar de televisie en de berichtgeving te kijken. Vanaf dit platform, mijn blog, ook van mijn kant, heel veel sterkte, kracht en troost toegewenst aan Mabel, de twee dochters, Prinses Beatrix, Koning Willem-Alexander, Prins Constantijn en alle andere directe familieleden. Mijn gedachten gaan naar hun uit.

Klokkenluider

Je leest de laatste tijd veel over Edward Snowden. Hij is een klokkenluider die bekend maakte dat Amerikaanse instanties, zoals de CIA en NSA ons burgers, wereldwijd, bekijken, volgen en talloze data verzamelen. Waar naar hun oordeel nodig.
Ook zou er gespioneerd worden. Deze instanties doen dat om op die manier terrorisme op te sporen. Ik las ergens dat men aan de ruwe data die men op deze manier bemachtigt, eigenlijk nog niet zo veel heeft. Het gaat veel meer om het in kaart brengen van netwerken. Als er vervolgens iets verdachts plaatsvindt, kan men onmiddellijk over het relevante netwerk beschikken.
Ik ben daar eigenlijk niet zo heel erg ontevreden over. Het is niet zo’n leuk idee dat je activiteiten op bijvoorbeeld Google, via je provider of anderszins op internet gevolgd worden, maar daar staat tegenover dat het mogelijk leidt tot het opsporen van slechteriken. Slechteriken die het niet goed met ons voor hebben. De wereld wordt er dus veiliger door. Wellicht. En zoals zo vaak in het leven: er is een kostprijs. Die kostprijs is een inperking van de privacy. Is dat erg? Ik heb niks te verbergen, ik denk dat ik niet erg interessant ben voor bijvoorbeeld de CIA, net als miljoenen andere burgers. Maar die ene slechterik, die moeten ze eruit halen. Ik hoop dat ze succesvol zijn.
De politici, aangewakkerd door de rellerigheid van journalisten, schreeuwen moord en brand. Neem NOS nieuwslezer, Rob Trip. Alleen al de wijze waarop hij het nieuws voorleest. Hij doet dat op zo’n manier, alsof alles waar hij het over heeft, potentieel een rel zou kunnen opleveren. Daar zitten we toch niet op de wachten?
 
Enfin, er volgen onderzoeken, in verlegenheid gebrachte gezagsdragers en instanties en hun methoden worden openlijk aan de kaak gesteld.
Even terzijde:
Wat Barack Obama zei vond ik wel mooi: de EU boos dat de VS spioneren? Look who is talking!
Het antwoord van de politici en de instanties die onder vuur liggen, zou heel eenvoudig kunnen zijn: wat wilt u? Een veiliger wereld met enige inperking van de privacy of een onveiliger, maar waar we ons exact aan de privacyregels houden. Minimum regels zullen er natuurlijk moeten zijn. Dat spreekt vanzelf. Waar nodig zelfs verankerd in de Grondwet. Maar het is als met een ambulance: als de nood aan de man is, laat iedereen hem door, hij mag zelfs door rood rijden. En iedereen gaat opzij. Er is immers een hoger doel: er moeten levens gered worden!
Dat geldt ook voor het opsporen van terroristen en andere slechterikken. 

Amerika en zijn politieke systeem: impasse

Onlangs was ik op bezoek in Washington DC. Ik heb alle bezienswaardigheden gezien, De White House, het Lincoln Memorial, het Vietnam Monument, Korea, noem maar op. Prachtige gebouwen in een prachtige stad. Werkelijk een prachtige stad.

 

Ook het Capitool kwam aan de beurt. Een enorm gebouw, een soort paleis, boven op een heuvel: Capitol Hill. Goed gepositioneerd, omdat je er als het ware letterlijk tegenop kijkt: tegen het bolwerk waar ‘democratie aan het werk’ is. Met overigens daar weer boven een symbool: Persephoné. Het enige symbool dat de Amerikaanse democratie boven zich duldt: het symbool van de vrijheid!
Niettemin had ik over het Capitool mixed feelings: we weten dat Amerika’s politiek volledig in het moeras zit. De twee partijen – Democraten en Republikeinen in het Congres, de wetgevende macht – zitten muurvast en houden elkaar én de president, de uitvoerende macht, in de houdgreep. Bijna geen enkele wet wordt aangenomen en als het al lukt wordt de wet in sommige staten vervolgens dermate uitgekleed, dat zodoende het oorspronkelijke doel weer teniet wordt gedaan.
De staten hebben die macht, want de staten zijn behoorlijk autonoom. Federale wetgeving, uit Washington dus, dient veelal in de staten door lokale wetgeving te worden geïmplementeerd.
Even terzijde. Wist je dat het Amerikaanse federale model is gebaseerd op de Unie van Utrecht van 1579, waarbij Willem van Oranje een vroege vorm van een federale unie smeedde. Later werd dat De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

 

De impasse in de VS komt voort uit het niet tijdig aanpassen van het democratisch systeem, het niet meegaan met de tijd: toen men begon, ruim tweehonderd jaar geleden en de communicatiemiddelen nog primitief waren, moest men ‘kiesmannen’ kiezen, die vanuit de lokale politiek naar Washington werden gestuurd, om daar een stem uit te brengen. Dat is begrijpelijk omdat men met paard en wagen reisde.

 

Bovendien ontwierp men destijds een systeem met een combinatie van evenredige vertegenwoordiging en een districtenstelsel. Daardoor ontstond een situatie waarbij last en ruggespraak en lokale invloeden de overhand kregen. Net als in de eerder genoemde Republiek der Verenigde Nederlanden.

 

Er werd namelijk een methode gevonden waarbij de autonome staten, groot en klein, op een rechtvaardige manier in Washington werden vertegenwoordigd. Dit werd ingevuld door in het House of Representatives de counties en de districten zodanig vertegenwoordigers te laten kiezen, dat daarmee de grootte van de staat werd gereflecteerd, op basis van inwoneraantallen. In de Senate kreeg iedere staat echter evenveel vertegenwoordigers, namelijk twee.

 

Dat alles is begrijpelijk in de situatie van tweehonderd jaar geleden. Maar vervolgens heeft men het zo gelaten. Men was niet in staat dat te veranderen, het aan te passen aan de veranderende eisen van de moderne tijd.

 

Dus als een wet in het Congres al wordt aangenomen en gegeven dat hij dan geheel door de tegenstanders is uitgekleed, is er veel aan lokale toezeggingen weggegeven. De kostprijs voor een aangenomen wet is dus hoog.

Het dubbele gevoel zit hem dus in het feit dat dit land, met zo’n prachtige democratische geschiedenis, dat zoveel grootse mensen heeft voorgebracht, niet (meer) in staat is zijn verantwoordelijkheid te nemen en stappen tot hervorming te zetten. Zo jammer en ook zo gevaarlijk, omdat het door zijn kracht en invloed enorme effecten sorteert voor andere landen en werelddelen.

De pont over het IJ

Als wij naar Amsterdam gaan, parkeren we de auto gratis in Amsterdam Noord. Met de veerpont gaan we vervolgens over het IJ naar het centrum.

 
Wat opvalt is dat de veerpont in een tomeloze behoefte voorziet. Overdag zijn ze behoorlijk vol met mensen, terwijl de ponten toch om de zes minuten gaan. Althans die van en naar Buikersloot. De andere veerboten gaan iets verder weg en varen daarom wat minder frequent, maar nog steeds heel vaak. Van en naar het IJ-Plein, elk kwartier, van en naar de voormalige NSDM werf, elk half uur.
 
 
Gezien deze onverzadigbare behoefte – het overzetten gaat immers 24/7 door, zou je verwachten dat er aan de Noord-zijde van het IJ, ook behoefte is aan parkeergelegenheid. Die behoefte is er, inderdaad, maar de parkeergelegenheid is er niet. Ja, maximaal twee uur kun je er met je auto terecht. Er is vanaf de veerpont een als maar groeiend ‘blauwe zone’ gebied, dus langer dan twee uur mag je er niet staan. Ook voor het nabijgelegen gloednieuwe filmmuseum “Eye’ is slechts beperkt – betaalde – parkeergelegenheid beschikbaar.
En dat probeer je nou juist te vermijden! De wijk bij de pont is dus min of meer autovrij en mensen die voor langere tijd naar Amsterdam komen, zoals wij, moeten dus buiten de blauwe zone zien te parkeren. Dat doen wij dan ook maar. Wij zetten de auto doorgaans ruim een kwartier lopen van de pont. Daarom doe ik dat ook vaak op de fiets. Ik laad eerst in de stad de spullen uit, ik laad daarna de fiets in en rijd naar een afgelegen plek in Noord, net buiten de blauwe zone. Daar parkeer ik de auto. Vervolgens fiets ik weer terug, gebruik makend van de pont. Dat kost alles bij elkaar een half uurtje.
Maar hoe doen al die andere mensen dat? De binnenstad is waanzinnig duur: 
5 per uur – het hoogste tarief ter wereld – dat ga je niet zo maar betalen, voor langere tijd.
Waarom is er niet een gigantische parkeergarage, waar je bijvoorbeeld een euro per uur betaalt. Met een maximum van zeg twaalf euro per dag. Een soort ‘lang parkeren’, zoals op Schiphol? Je trekt veel meer mensen/toeristen naar de stad. Dat is toch wat men wil?
Misschien dat de Noord-Zuidlijn uitsluitsel biedt.

Het kleine denken

Verbaas jij je ook wel eens over sommige dingen. Neem nou straatbordjes. Of nummers op de huizen. Ik bedoel, de grootte ervan.
Ik liep laatst door een wijk in Den Haag. Ik liep op een grote, brede straat, met een brede middenberm en daarop een trambaan. Het straatbordje is zo klein, dat je het bijna niet kunt vinden. Het is net zo klein als de bordjes in een smal bestrate nieuwbouwwijk, een ‘woonerf’. Voor je het weet raas je er langs. Ik heb er een voorbeeld van: zie de foto van een straatbordje uit Rotterdam, op een drukke invalsweg. Kun je het zien? Een piepklein blauw straatbordje.

Maar ook de nummers op de flatgebouwen zijn piepklein. Hoe kun je dat nou lezen, terwijl je zo’n 30 á 40 kilometer per uur rijdt. Ook daar heb ik een foto van. Vanaf het voetpad, dus dichtbij, genomen.
 
In Amerika heb je grote borden die dwars op de rijrichting staan, waar je dus niet om heen kunt. Maar ja, in Amerika is alles gericht op de automobilist. De borden en nummers moeten dus wel groot zijn, want je moet ze in een flits kunnen zien, zonder jezelf en het verkeer in gevaar te brengen. En ze denken groot! Dat helpt ook.


In Nederland is veel van die zaken nog gericht op paard en wagen. We zijn stil blijven staan. We hebben ons niet aangepast. We zijn (nog steeds) niet op reizigers uit onbekende streken gericht. Slechts op het naburige dorp!  Je ziet het ook aan de borden langs de snelweg:
Als je in Duitsland, Frankrijk of Spanje over de snelwegen rijdt, worden sommige grote steden al honderden kilometers van te voren aangegeven. Berlijn, München, Parijs, Bordeaux, Barcelona. Dan weet je ongeveer waar je heen moet. Als je van de Afsluitdijk komt en je rijdt naar Amsterdam, dan je zie geen bord Den Haag, Rotterdam of Utrecht (Eindhoven of Maastricht al helemaal niet). De borden Den Haag of Rotterdam zie je pas twee kilometer voordat je bij Amsterdam bent. Op het laatste bord vlak voor dat je ring oprijdt staat er op het bord dat vier rijstroken beslaat: ‘Amsterdam 2′. In Utrecht is ook zo’n situatie. op de A28. Zou je als reiziger niet precies de weg weten, dan ontstaat de indruk alsof je op het punt staat het centrum van Amsterdam of Utrecht binnen te rijden. Daarna moet je maar weer verder zien.
Het is een vorm van ‘klein denken’ van ons Nederlanders.