(In aflopende volgorde)
20 augustus 2021
11. Oversteek over de Ahr
Al voor de elfde keer heb ik in de rubriek A Near Miss (een ‘bijna ongeluk’) een verhaal voor u wat voor een klein jongetje toch wel echt gevaarlijk was.
Dit keer is dit relaas in die zin opportuun, dat het zich afspeelde bij het Duitse dorpje Altenahr, dat recent, juli 2021, volledig werd overstroomd en deels instortte door het buiten de oevers treden van het riviertje de Ahr. Door langdurige, hevige regenval ontstond in korte tijd een kolkende rivier die alles verwoestte dat het op zijn weg tegenkwam: bruggen, huizen, bomen. Het gevolg waren verzakkingen, schade aan gebouwen, doden en gewonden. De ramp was niet te overzien.
In 1960 waren we met het gezin met vakantie in Duitsland. Met een caravan. Ik was zeven jaar oud. We stonden op een camping bij dit plaatsje Altenahr aan het ook toen snel, maar overzichtelijk stromende riviertje de Ahr. Zo’n dertig kilometer ten zuiden van Bonn, in de Eifel.
Iets hoger gelegen, tegen de bergen aan, staat een kleine kapel en daar zouden mijn vader, mijn oudere zus en ik op zekere dag naar toe wandelen.
Uitzicht
We gingen op pad. Eenmaal boven bij de kapel aangekomen, hadden we een prachtig uitzicht op de camping, op de rivier en we konden heel ver beneden in het dal onze caravan, de tent en mijn moeder zien. Ze was achter gebleven om op mijn jongere zusje te passen. We zwaaiden, schreeuwden en gilden de longen uit ons lijf, mijn zus en ik en uiteindelijk met succes. Onze moeder zag ons en zwaaide terug.
We begonnen aan de terugtocht, althans dat dacht ik. Ik had buiten mijn avontuurlijke vader gerekend, die eerst nog even de Ahr wilde oversteken.
Snel stromende rivier
Dat was niet zo’n goed idee. Er stond, als gezegd, een sterke stroming. Het ruisen zette zich vast in onze oren, we moesten schreeuwen om elkaar te verstaan. Door het water waden was beslist geen optie. Om naar de overkant te komen moesten we van rots naar rots springen. We stonden zodoende alle drie steeds op een andere steen, die allemaal te midden van het kolkende water stonden. De rotsblokken waren glad en glibberig, allemaal verschillend, groot en klein, met schuine en nog schuinere stukken, sommige ver uit elkaar. Iedere keer moest ik de juiste steen uitzoeken om naar toe te springen. Was hij haalbaar? Zou ik, eenmaal geland, ervan af glijden? Kortom een heel lastige onderneming voor een zevenjarig kereltje. Dit was behoorlijk onverantwoord, want als ik van de steen af zou glijden en in de rivier zou vallen, zou ik door de stroom meegesleurd worden. Ik begreep dat heel goed.
Tranen
Dus daar stond ik, met tranen in mijn ogen, turend naar de beste steen om naar toe te springen, achter mijn vader en zusje aan. Hij moedigde me aan, gaf adviezen, maar zou er iets mis gaan, hij zou mij niet kunnen redden. Ik zou door de stroming meegesleurd worden. Voor hem achter mij aangaan, was in deze stroming geen optie. Hij overzag dat misschien allemaal wel en zag misschien ook wel waar ik terecht zou komen, zou ik vallen, ik had daar natuurlijk zelf geen benul van. Ik was uitsluitend bezig op hoop van zegen, met kloppend hart, van steen naar steen te hoppen.
Het ging goed: na verloop van tijd waren we veilig aan de overkant. Pfff! We hadden het gehaald. Dat was spannend! Mijn vader complimenteerde mij en mijn zus. We rustten aan de oever wat uit. Nu zouden we naar huis gaan, naar de camping, naar mijn moeder en zusje. Het avontuur zat erop. Or so I thought…
Brandnetels
Mijn vader keek om zich heen en zei:
“Je dacht toch niet dat de Duitsers hier voor ons een pad hadden aangelegd?” Ik keek om me heen en zag een eindeloze ‘zee’ aan brandnetels, zo hoog als ik zelf en hoger!
Daar zouden we doorheen moeten om naar de weg te komen. De moed zakte me in de schoenen, of beter in mijn sandalen. Maar er zat niks anders op dan er doorheen te gaan. Verschrikkelijk! De brandnetels waren net zo hoog als mijn zus en ik! Als we ze wegtrapten, bogen andere juist naar ons toe. Wat een kwelling. Enfin, we baanden ons er een weg doorheen en bereikten op enig moment uiteindelijk de geasfalteerde weg.
The Longest Day
Opnieuw vervolgenden we onze tocht naar de camping, waar we inmiddels behoorlijk van verwijderd waren geraakt. Het was een lange wandeling en mijn vader suggereerde om in de pas te gaan lopen, een deun fluitend van een film die hij kende, ‘The Longest Day’, naar het boek van Cornelius Ryan. Hij vertelde dat de Geallieerden na D-Day tijdens hun lange opmars door Frankrijk, België en Nederland naar Duitsland deze deun floten. Zowel in de pas lopen, als de deun zingen of fluiten, vergemakkelijkt de lange tocht.
Zo kwamen we uiteindelijk weer veilig thuis.
6 maart 2021
10. Brand!

In de rubriek ‘A Near Miss’, een bijna ongeluk. Hier het relaas van een bijna brand…
Toen ik vier jaar oud was, misschien vijf, heb ik het ouderlijk huis bijna in brand gestoken. Dat zat zo: ik was in die dagen vaak vroeg wakker. Mijn kleine zusje, die rond de zes maanden oud geweest zal zijn, sliep doorgaans beneden in de woonkamer in de wandelwagen om te voorkomen, naar ik later hoorde, dat iedereen door haar vroege gehuil wakker zou worden.
Aansteker
Op een ochtend ging ik naar beneden en keek de kamer rond. In die dagen – de jaren vijftig van de vorige eeuw – was het heel normaal dat men sigaretten rookte, ook vrouwen. De aansteker van mijn moeder intrigeerde me. Tenslotte was ik een vierjarig, opgeschoten jongetje. Het lukte me hem te ontsteken.


Onheil
Het onheil kon niet uitblijven: de krant op de bank waarop ik met de aansteker zat te spelen, vatte vlam. Wat zal ik geschrokken zijn, ik herinner me dat niet. Wat ik me nog wel herinner is dat ik meteen kans zag met voor een kind van vier een enorme tegenwoordigheid van geest, het vuur te doven, door het kussen van de bank om te draaien en daarmee het vuur te smoren. Het vuur ging aldus gelukkig meteen uit. Je moet er niet aan denken wat er gebeurd zou zijn als dat niet niet gelukt was: het huis gaandeweg in brand, eerst de bank, daarna de gordijnen, de hele huiskamer met daarin de slapende baby. Het hele huis…? Wat een geluk dat het vuur van de brandende krant gesmoord kon worden en meteen doofde.
Driezitsbank

De schade aan het omgedraaide kussen dekte ik toe door het te ruilen met het kussen van de andere hoek. Wat me bijstaat is dat de beide buitenste kussens – het was een driezitsbank – spiegelbeeldig waren en dat als je ze verwisselde, ze omgedraaid weer precies in de bank paste. De linker plaatste ik rechts, de andere links. Ik denk niet dat ik de intentie had de boel te verbloemen, zo zag het er gewoon netter uit. De kamer moet blauw van de rook hebben gestaan. Maar ik ging gewoon weer slapen.

Toen mijn vader en moeder ’s ochtends beneden kwamen moeten ze zich rotgeschrokken zijn. Ze ondervroegen mij erover en ik gaf toe dat ik de blauwe rook in de kamer had veroorzaakt.
Nieuwe tas
Mijn moeder had net een nieuwe tas gekocht en zou hem dragen bij een of ander event waar ze deze dag samen met mijn vader naar toe zou gaan. Wat waren ze boos op me. De schoonmaakster (ze heette Agaath weet ik nog) zag in de loop van de ochtend dat het kussen aan de onderkant ook nog eens geschroeid was. Het is nog jaren zo blijven liggen.
17 september 2020
9. Motorpech

In de rubriek Een Near Miss verhaal ik over de bijna ongelukken (near misses) die mij met mijn avontuurlijke vader overkwamen. Deze keer niet echt levensgevaarlijk, maar toch wel erg spannend en zonder mijn vader, met mijn eigen schip. Ik kreeg motorpech.
Het is 2001. Ik zeil met een stevige wind in de rug van Muiden naar Enkhuizen. Ik vaar alleen, zoals in die tijd zo vaak, met mijn negen meter Friese Westerdijk zeeschouw. Een prachtig gelijnd schip. Mooie zeeg. Goed in de lak, alles klopt.
Buitengaats, ten zuiden van de havenhoofden, strijk ik de zeilen. Ook al staat daar nogal wat golfslag aan lagerwal, ik wil altijd, alleen zeilend, bijtijds de boel helemaal op orde hebben. Daardoor kan ik mij volledig op de aanleg manoeuvre concentreren. In dit geval de inmiddels oude sluis van Enkhuizen.
De motor aan
Ik start altijd eerst de motor. Stel dat ik toch ineens, ondanks de rust om mij heen, door de plotselinge komst van een ander schip, of een boei die ik over het hoofd zou hebben gezien, of iets anders, snel moet manoeuvreren, met de zeilen half of helemaal naar beneden, ik zou volkomen stuurloos zijn.
Doodse stilte…

Dus ook deze keer eerst motor aan. Nadat de zeilen zijn gestreken, alles vastgesjord, gereed om de haveningang in te gaan, geef ik wat gas, maar echt harder gaat de boot niet varen. Ook ontwikkelt de motor niet zijn gebruikelijke gebrom. Het lijkt wel of hij hapert. Ik probeer het nogmaals, maar ik plaats van te brullen, hoor ik een wegstervend geluid, dew, dew…, dew… en de motor slaat af. Doodse stilte. Alleen het geruis van de brekende koppen van de golven. Ik start opnieuw. De motor weigert.
The sound of silence
De stilte overvalt me, zo stil is het. Ik hoor elk geluid. Ik heb de hele dag gezeild, zonder motor, dus je zou zeggen ik ben aan de stilte, het ruisen van wind en golven gewend, maar niets blijkt minder waar. Doodse stilte, te stil. Oorverdovend stil. The sound of silence.
Geen diesel?
Ik bedenk me wat het kan zijn. Het enige wat ik kan bedenken, is dat de diesel op is. Kan dat? Ik peil altijd trouw het niveau. De motor maakte zo-even tijdens het starten een geluid van een goed werkende startmotor, alle lampjes brandden, dus geen diesel meer lijkt mij de enige verklaring.
Failure is not an option

Wat nu? Het begint tot mij door te dringen dat ik naar de havenhoofden kabbel en dat ik iets moet verzinnen, want de sluis is uiteindelijk het onherroepelijke eindpunt. Ik zal met een vaartje, onstuitbaar, tegen de sluisdeuren eindigen. Dus, wat zijn de opties? Failure Is not an option (quote uit de Oscar winnende film Apollo 13, met Tom Hanks). Dat dus in ieder geval niet. Voor anker? Hier, nog op het Markermeer, of ‘binnen’ tussen de strekdammen van de haveningang? Dat lijkt mij beter, gegeven de golfslag. Of kan ik ergens langs varen, een kade bijvoorbeeld en de boot al schurend tot stilstand brengen? Ik hijs de fok. Ik ben met wat meer snelheid beter bestuurbaar. Ik zeil naar binnen, tussen de strekdammen. In Enkhuizen kun je, ook toen, eenmaal langs de havenhoofden, nog wel enige tijd tussen de ver uiteen gelegen strekdammen varen. Ik heb dus de ruimte.
Een steiger
De golfslag is nu verdwenen. Ik ontwaar aan bakboord een aantal havenbedrijven en steigers. Als ik daar nou eens langs vaar en probeer de boot tot stilstand te brengen? Ik zeil ernaar toe, bekijk zo goed mogelijk de steigers, er ligt niemand. Enigszins lager wal. Ik maak een achterlijn gereed om te gooien, stootkussens uit, ik kies de laatste paal van de eerste steiger uit, als ik eenmaal tot stilstand kom, zo denk ik, ga ik met deze lager wal in de ingang eindigen. Goed plan.
Shell

Maar op het laatste ogenblik, als ik op het punt sta om de lijn te gooien, zie ik dat aan de paal een vlaggenmast vastzit. Daar krijg ik natuurlijk geen lijn omheen. Dus stuur ik snel weer van de steiger weg.
Verderop ontwaar ik een Shell vlag. Jippie! Wat een geluk. Twee vliegen in één klap: aanleggen en tanken!
Ik heb nog steeds snelheid en dus kan ik van deze plek wegkomen. Ik zeil erheen. Ik zie een lege steiger, alle ruimte, stevige bolders om mijn lijn overheen te gooien, geen vlaggenmasten. Die van de Shell staat verderop. De stootkussens zullen de eventuele klap opvangen.
Gejuich

Ik vaar er vlak langs, laat de fok los, sta met de lijn klaar, gooi, de lijn komt ruimschoots over de bolder te liggen. Ik haal hem langzaam binnen, rem de boot af op de bolder van de boot – wat een kracht! – en…. we liggen stil. Het is gelukt!
Wat er bij mij opkomt is dat ik dit voor publiek had moeten doen, een stadion vol en, net als bij een doelpunt, een in gejuich losbarstend publiek. Ik juich ook, zwaai naar de dolenthousiaste mensen, neem de verheerlijking in mij op, ik glim van trots. Zo voelt het dus om als voetballer te scoren. Maar…, er is niemand. Ook hier weer doodse stilte. Niemand heeft deze fantastische manoeuvre gezien. Geheel alleen sta ik vervuld van blijdschap over de goede afloop op mijn boot van deze geslaagde manoeuvre te genieten. Gevoelens van blijdschap en opluchting strijden om voorrang.
Ik kijk naar de sluisdeuren een eindje verderop en begin te fantaseren hoe ik daar tegenop had kunnen varen. Wat een drama, wat een afgang, wat een schade!
Stofzuiger

Ik loop naar het havenkantoor. Iemand is aan het stofzuigen. Boven dat lawaai uit, schreeuw ik tegen de man dat ik motorpech heb en of ik kan tanken, of er iemand is die even kan komen kijken? Al door stofzuigend schreeuwt de man terug dat ik morgen maar terug moet komen. Het is na vijf uur, er is nu niemand meer.
Weer aan boord, peil ik de hoeveelheid diesel en zie dat er nog voldoende in zit. Een verstopping? Morgen ga ik het vragen.
De volgende dag blijkt het hard te waaien, windkracht 8. Geen verkeerde dag eigenlijk om met motorpech in een haven te liggen.
Bacteriën
In alle vroegte sta ik weer in het havenkantoor. Mijn verhaal aan horend, meent de monteur dat de motor waarschijnlijk door bacteriën vervuilde dieselfilters heeft en dat een en ander schoongemaakt moet worden. Aldus geschiedt. De reparatie van alles waar diesel doorheen stroomt, duurt de hele dag. De volgende dag vervolg ik mijn tocht.
(Copyright: Rudolf de Soet 2025)



