Categorie archieven: Maatschappij

Binnenkort koning

Onlangs zag ook ik het interview met de aanstaande koning, Willem-Alexander. Prachtig interview. Wat is die jongen gegroeid! Zelfverzekerd, welbespraakt, genuanceerd, open, eigentijds, volwassen, werkelijk heel goed en mooi om te zien. Humor, ernst, emotie het zat er allemaal in. Er is inmiddels veel over geschreven en gezegd. Hier is mijn bijdrage.
Ik geef een paar voorbeelden, niet uitputtend, van de dingen die me te binnen schieten:
Sterk vond ik de wijze waarop hij omging met de vraag over het ceremonieel koningschap. Hij leert ons duidelijk hoe dat – ook grondwettelijk – is geregeld. Hij stelt klip en klaar het parlement boven zich en zal, ook via die instelling, met z’n tijd meegaan.
De duobaan kwam langs. Prima zoals hij zich daarover uitliet. Grondwettelijk is er de koning, dat kan een man of een vrouw zijn. Ik zeg het in m’n eigen woorden. Dat betekent dus dat als de grondwettelijke functie ‘koning’ wordt ingenomen door een man, zijn vrouw koningin kan worden genoemd. Is de koning een vrouw, dan kan de man niet anders dan prins-gemaal zijn.
Ook het drama rondom Prins Friso, de afwezigheid van de vader van prinses Máxima, hoe het ouderschap tegelijkertijd in te vullen, de inhoudelijke kant van het koningschap, kwam langs. Het zijn allemaal zaken die besproken zijn en die antwoorden hebben opgeleverd, waar we wat aan hebben.
 
Ook besprak hij in alle openheid en gaf hij aan, fouten te hebben gemaakt, daarvan te hebben geleerd en – ook belangrijk – nog in de toekomst fouten te zullen maken. Dat hoort erbij en is niet erg, mits ervan geleerd wordt en de consequenties goed worden – mijn woorden – gemanaged.
Het minst kwam de vraag over zijn beloning ervan af. Hij gaf aanvankelijk zoals hij zei, een formeel antwoord, had het vervolgens over bezuiniging en dus ontslag van een deel van de hofhouding. Wat hij er aan had kunnen toevoegen, is dat het niet alleen een salaris is dat hij ontvangt, een salaris waar – typisch Nederlands – men jaloers op reageert, maar dat het inkomsten zijn voor het bedrijf dat hij in feite runt. Een bedrijf dat bestaat om een symbool te vormen, een bedrijf ten behoeve van de continuïteit en stabiliteit van Nederland.
Samenvattend: veel respect en veel vertrouwen, dat zijn wat mij betreft de kernwoorden.
Ik wens hem en haar trouwens ook, heel veel succes!

De Amerikaanse highway

In Amerika heb je een systeem van wegen, de Interstate highways, die in de meeste gevallen ook de staten met elkaar verbindt. Al in de jaren vijftig gebouwd.
Rond de steden worden deze snelwegen vervolgens aangevuld met expressways, parkways, freeways, grote snelwegen. Wat wij denken dat een Amerikaanse highway is, is vergeleken met de exressway of de parkway eigenlijk een provinciale of gemeentelijke weg. De lokale highway is namelijk een weg vol met stoplichten maar met wel tenminste twee of drie en soms vier rijstroken. De stoplichten zijn goed op elkaar ingesteld. Dat wil zeggen, als het licht op groen springt, kun je een aantal lichten na elkaar passeren. Pas na een paar minuten springen de lichten weer op rood. Je bent dan een flink stuk opgeschoten.
Voorts zijn er overal op- en afritten, zowel naar links als naar rechts. Afritten naar winkels en winkelcentra, shopping malls, restaurants, drive thru’s, soms eindeloos achter elkaar. McDonald’s, Burger King en allerlei lokale fast food restaurants, Denny’s, Wendy’s, maar ook Charley’s Stakehouse, Red Lobster, de Lobster Pot, het Japanse Kobe, enzovoort. Ziet er altijd wel gezellig uit, overigens, vooral ’s avonds, als alles verlicht is.
Een volgend voordeel van de highway met de vele winkels en restaurants ernaast is, dat al die verschillende zaken door subwegen met elkaar verbonden zijn. Mocht je te laat afslaan, geen nood, ‘binnendoor’ ben je zo weer ter bestemder plaatse.
De expressway en de Interstate highway  is meer vergelijkbaar met onze snelweg: ze gaan door weilanden, door bossen of overal overheen.  En hier en daar een tankstation, met daar weer een wereld van restaurants en natuurlijk, Starbucks er omheen.
Wat het verkeer rustig maakt komt door wat wordt genoemd: lane keeping. Je rijdt in je strook en daar blijf je. Je mag links én rechts inhalen. Hinderlijk links rijden – in Nederland wegirritatie nummer één – bestaat daar dan ook niet, net zo min als – nummer twee – bumperkleven.  Dat is eenvoudigweg niet nodig. Je gaat de auto’s gewoon voorbij aan de kant die jij kiest.
 
Wat ik ook zo kan waarderen is dat de rijrichting overal staat aangegeven. Bijvoorbeeld US highway 192 North. Of, de andere kant op: South. En in de auto staat aangegeven (bij moderne auto’s in de spiegel) of je west of oost, noord of zuid rijdt, of daartussen in, bijvoorbeeld zuidoost. Je weet in grote lijnen waar je heen gaat, bij twijfel ga je de kant op waar je reisdoel ligt. In Nederland staan op de groene hectometerpalen langs de snelweg, Li en Re, wat staat voor links en rechts. Het kan gebeuren dat je naar het noorden rijdt op bijvoorbeeld de A4. Staat er op zo’n hectometer paal ‘Li’. Dan klopt dat niet met je gevoel. Het voelt namelijk als rechts. Je moet nadenken, terwijl noord of zuid, logischer zou zijn. 
Bij het uitdelen van bonnen voor verkeersovertredingen snappen ze maar al te goed: laatst kreeg ik een bon met daarop een paar kilometer te hard rijden op de A4 West!

De jaren ’70: na de revolutie

De jaren ’70 waren voor mij een verwarrende tijd. Ik voelde me tussen tafellaken en servet. Ik had net iets te jong de revolutie van de jaren zestig, de omwenteling van bijna alles, aanschouwd. Langs de zijlijn keek ik toe. Het waren de jongens die twee, drie klassen hoger zaten, die stakingen organiseerden, hun haar lieten groeien, baarden lieten staan (mocht allemaal niet) en opruiende stukken in de schoolkrant plaatsten. Om maar te zwijgen van de studenten. Dat was helemaal een generatie verder: ik was nog net geen zestien toen de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam plaats vond (mei 1969).
Toen ik zelf als student die leeftijd had, waren de harde kanten er al weer helemaal af. De democratisering van universiteiten had gestalte gekregen. Er werd landelijk nog wel eens gestaakt (bijvoorbeeld tegen het optrekken van het collegegeld naar duizend gulden – 1972), maar van een revolutie was al lang geen sprake meer.
 
Wat overbleef was onzekerheid. We waren – zo voelde ik dat – in een gat gevallen. Veel waar tegen aangeschopt was, was met succes bestreden en verdwenen of vernietigd. Veel was gerealiseerd. Lang haar, baarden en andere uitingen van verzet onder de jeugd, waren gemeengoed geworden. Ook in het leger was dat geaccepteerd. Zo werd ook daar lang haar geaccepteerd en werd zelfs de groetplicht afgeschaft.
Maar er was niet altijd iets voor in de plaats gekomen. Als student, zeker in het begin, voelde ik dat gemis. Veel was onzeker: wat waren de regels, waar kon je op bouwen en waarop niet? Religie was uit, links was in, ja beter nog was het communist te zijn. Als je dat was, hoorde je er helemaal bij.
Men vond wel dat ze er in de Sovjet Unie een potje van maakten en ja in de DDR ook, maar de Chinezen, dat was zoals het moest zijn. Ja, zei ik maar, om er vanaf te zijn. Gevoelsmatig klopte het niet.
 
We hadden de seksuele revolutie gehad, min of meer, maar we wisten niet goed wat er nu moest gebeuren. Angst was er voor zwangerschappen. De pil was nog geen gemeengoed. Er was weinig over te vinden of te lezen, want het was allemaal nieuw. En als er al iets viel te lezen, dan werd het omfloerst beschreven, geen klare taal.
Ondernemen was uit, winst maken vies, we werden geacht te demonstreren, tegen van alles en nog wat. De oorlog in Vietnam bijvoorbeeld. President Nixon moest aftreden, ook iets dat nog nooit gebeurd was. Carrière maken was iets dat je niet besprak: het woord ‘carrière’ was foute boel.
Later was ik wel eens jaloers op latere generaties studenten, die zoveel meer zekerheden hadden. De verwarring was voorbij, er was een nieuwe orde ontstaan, daar kom men zich aan vastklampen. Hippies waren op hun retour, anti autoritair gedrag was niet meer nodig, sterker, men wilde niet meer: een serie op tv volgen, dat kreeg prioriteit! 
Ondernemen bleek toch wel nuttig, winst maken eveneens en er deel van uitmaken  – carrière maken dus –  was niet langer fout. Het communisme was een mislukt project en socialisme – inmiddels omgevormd tot ‘sociaal democratie’ – had zo goed als alle doelstellingen bereikt. 
Het is dus allemaal op zijn plaats gevallen.

Publix, een Amerikaanse supermarkt keten

We waren weer op bezoek in Florida. Ik heb daar al eens een blog over gepost (maart 2012). We hebben in Florida een huis dat we verhuren (zie http://www.trafalgar-rose.com/ en http://www.micazu.nl/vakantiehuis/trafalgar-rose-de-droom-vakantievilla-10626/).
 
Wat opvalt in Amerka is onder andere de supermarkt. Ik ben daar erg enthousiast over. Om allerlei redenen. Om te beginnen zijn er talloze supermarkten. Ze zijn vaak ‘verborgen’ in een grote shopping mallaan de highway, met allerlei andere winkels er omheen. Zoals kleine en grote restaurants, fastfood ketens, drugstores, nail studio’s, tuinspullen, bloemen en planten en wat dies meer zij. Teveel om op te noemen.
 
We bezoeken onze ‘eigen’, dat wil zeggen dichtstbijzijnde supermarkt, de Publix. De Publix is een enorme supermarkt, een grote hal, met brede paden tussen de schappen. Ruimte is het sleutelwoord. Ze zijn van tien tot tien geopend, nergens zie je kratten met aan te vullen spullen. Alles ligt er netjes en schoon bij.
Het is niet alleen maar een supermarkt, het is veel meer dan dat: er is een apotheek, een restaurant, ze verkopen allerlei andere zaken, zoals tv’s, boeken, planten, fototoestellen, enzovoort.
 
Maar laten we bij het begin beginnen: je komt aanrijden, ruimte alom en vele brede parkeerplaatsen waar je niet voor hoeft te betalen en ook nog eens  vlakbij de ingang. Bij de entree staan niet alleen (gratis) winkelwagens maar ook met opgeladen accu’s uitgeruste invalide wagentjes. 
 
Je gaat naar binnen en ziet aan de rechterkant een complete bakkerij met vers brood. Iets verderop is een slagerij en wat daar opvalt, afgezien van de vriendelijkheid van het bedienend personeel, is dat ze allemaal haarnetjes en handschoenen dragen. Buitengewoon hygiënisch.
 
We slenteren langs een enorme groeten-afdeling, een sushi afdeling met ter plekke vers gemaakte sushi. We vervolgen onze weg langs de talloze ruim opgezette schappen. Om de paar meter hangen kleine hebbedingetjes voor een impuls aankoop aan de schappen. Hebbedingetjes die nuttig zijn: variërend van kurkentrekkers tot, handige flesopeners voor oudere mensen met minder kracht in hun handen, tot doekjes, mesjes, fussy fingers om computer schermen te reinigen, enzovoort.
En wat een gigantische hoeveelheid aan producten en veelheid aan keuzes: pindakaas, bijvoorbeeld is er in alle soorten en maten, rijen achter en boven elkaar. Zo ook de ketchup, kruiden, cornflakes, drinkwater, frisdranken, noem maar op. Dat is prima, zoveel te kiezen, alleen je vraagt je af of ze ze het wel allemaal verkopen. En op tijd. Tien mijl verderop is er namelijk weer precies zo’n winkelcentrum met een Publix.


Bij de kassa aangekomen, worden de aankopen gescand en door de  kassière zelf of een hulpje in plastic zakken gedaan. Een buitengewoon efficiënt gebeuren. De plastic zakken worden vervolgens in de winkelwagen gezet en die rijd je naar de auto. De zakken gaan in de achterbak en weg ben je, de highway op, op weg naar huis. 
 

Of eerst nog even langs Starbucks voor een cappuccino onderweg, of een andere drive thru’.   

Links en rechts in de politiek

Progressief en conservatief is dat hetzelfde?


Van oudsher claimt links progressief te zijn. Dus is rechts van oudsher conservatief. Dat zal ooit ook wel juist geweest zijn, maar is dat nog zo, in de 21ste eeuw?
De vraag stellen is hem beantwoorden. Niet dus. Het inmiddels precies andersom! Hoe zit dat?
 
Progressief staat voor vooruitgang, creativiteit, innovatie en, zoals het woord al zegt, progressie.  Conservatief daarentegen, staat voor stilstand, behoudzucht, achteruitgang, de dood in de pot, creativiteit wordt gesmoord. Conserveren, lijkt mij het werkwoord.
In het grootste deel van vorige eeuw werden grote stappen gezet op sociaal gebied. Dat kwam door de opkomst van de vakbeweging en de socialisten. Zij waren links en progressief.  Zij bereikten op sociaal gebied echt veel en dat heeft fantastische resultaten opgeleverd. Denk aan armoede bestrijding,  inkomensverdeling, werkgelegenheid, bestrijding van ongelijkheid,  allerlei zorgwetten, oudedagvoorziening, enzovoort. Het ging hand in hand met de ontwikkeling van andere bewegingen zoals emancipatie van allerlei minderheden, mileu-bewustzijn, nu duurzaamheid genoemd. Je zou kunnen zeggen dat de ‘wet van de stimulerende achterstand’ volop aan het werk was. Progressie dus.

Onherroepelijk leidt deze wet echter op enig moment tot de ‘remmende voorsprong’: de progressie komt tot stilstand en leidt tot behoud van het verworvene. En behoud is gelijk aan conservatisme en stond, zo zagen we hierboven al, weer gelijk aan rechts. Maar dat klopt dan dus niet (meer).
Deze stilstand zie je ook ‘gebeuren’. Neem de vakbeweging en in dezelfde lijn de linkse partijen, PvdA, SP en Groen Links. De socialisten en de vakbeweging hebben als gezegd veel bereikt, zo niet alles waar de founding fathers ver terug in de 19-eeuw van droomden en voor stonden. Inmiddels is het bereikte gemeengoed geworden en ook schrijver dezes kan zich daarin volledig vinden.

Maar nu keert het tij:  juist de vakbeweging en socialisten zijn tegen hervormingen van allerhande vooral sociale zaken, stammend uit de vorige eeuw. Ze zijn versleten geraakt en hebben allerlei onbedoelde uitwassen inmiddels mogelijk gemaakt. Pas onder druk van de crisis lukt het om weer creatief te zijn en de noodzakelijke vernieuwingen te kunnen laten plaatsvinden. Dat is winst.

En wie timmeren het meest aan deze weg? Juist de nieuwe progressieven, degenen die met veel innovatie en creativiteit vooruitgang boeken op het gebied van het aanpassen van het verworvene. Het initiatief komt van rechts. De voormalige progressieven zijn nu conservatief geworden en andersom! 
Conservatief is dus nu links en progressief is nu rechts!

NB: er zijn merkwaardigerwijs Groupon bonnen in de blog terecht gekomen. Ik krijg ze niet weg. Excuses daarvoor!

De medische zorg, mijn verwonderpunten

Ik ben de laatste tijd wat vaker in aanraking gekomen met de medische zorg. Dat komt omdat ik Renée, mijn dochter van 24, vergezel naar allerlei instanties op medisch gebied. Zij heeft chronisch ernstige pijn in de onderrug omdat daarboven een zogeheten blokwervel zit. Daar is ze mee geboren. Er zijn specialisten die zeggen dat er daardoor geen aanleiding is om een ‘ander’ leven te hoeven leiden. Anderen zeggen, dit hebben we nog nooit gezien! Ik zou zeggen, mijn eerste verwonderpunt!

 

Na lange tijd ons met de specialisten op de blokwervel geconcentreerd te hebben, hebben we op eigen initiatief op enig moment besloten dat ‘het roer om’ moest en dat we ons beter op de pijn konden concentreren en wat haar veroorzaakte, dan op de blokwervel als zodanig.

We hadden de indruk dat er van overbelasting sprake is. Tweede verwonderpunt: waarom komen de specialsiten niet op deze gedachte? Vervolgens zijn we bij weer andere specialisten en ook bij de pijnpoli beland. 


Even tussendoor een aantal  meer algemene verwonderpunten: de specialisten binnen één gebouw, hebben elk een eigen balie. Wij rennen van de een naar de ander en overal vullen we, na lang wachten,  dezelfde formulieren handmatig in! Om maar te zwijgen van de enorme aantallen receptionistes en/of verpleegsters, die overal rondlopen en die ook nog eens naar elkaar verwijzen. Er lijkt ruimte voor heel erg veel efficiency verbetering. Met grote besparingen.

Daarnaast valt op dat de medische zorg zeer sterk automatiserings-gedreven is, maar bij de receptie hanteert men sterk verouderde technieken: veel gaat met de hand, er is erg veel dubbel werk, waardoor veel fouten. En ze gebruiken soms nog doorslagen met carbonpapier! Verwondering!

Zitten we bij de pijnspecialist, blijkt het niet zo’n sympathieke of beter, niet zo’n empathische man. Hij kwam erg ongeïnteresseerd over. Om dat te verdoezelen, stelde hij wat vragen in de persoonlijke sfeer, zo van wat studeer je, oh dat, wat houdt dat in en ik zie dat je werkt voor een bedrijf dat zonnepanelen verkoopt, welke zijn volgens volgens jou de beste en dat soort beleefdheidsvragen. Ze leken uit het cursusboek ‘Empathie voor Dummies’ te komen. We zaten daar helemaal niet op te wachten, niet op dat moment. Er is een urgent probleem en daar willen we het over hebben! Ter zake graag!

Okay, we komen ter zake. Er is enige medicatie. Er is een apparaatje, Tens geheten, dat de zenuwen rondom de pijn beïnvloedt, maar veel meer is er niet. Hij blijkt al gauw over pijnbestrijding uitgepraat te zijn. Hij zegt erbij dat je op zo’n jonge leeftijd niet te veel medicijnen moet gebruiken. Tegelijkertijd komen we tot de conclusie dat je op zo’n jonge leeftijd niet structureel zoveel pijn zou moeten hebben, namelijk zodanig dat je niet (meer) kunt werken, respectievelijk nog maar een heel beperkte actieradius hebt. Veel verder kwamen we niet. Hij wekte voortdurend de indruk dat onze tijd op was en dat we weer moesten opstappen, respectievelijk de vragen die we hadden aan de assistente moesten stellen.

Verwonderpunt:  waar is juist bij iemand die zich in pijn en pijnbestrijding heeft gespecialiseerd, het gevoel dat hij of zij je helemaal van die pijn te wil afkrijgen?

Enfin, wij zijn inmiddels weer wat verder en hebben gelukkig een empathische ortho-manuele therapeut gevonden. Een goede vriend van mij. Ik ben hem dankbaar!

Een blog over toezichthouders

In september 2008 brak de kredietcrisis uit, in Europa. Vervolgens kwam er een stroom van kritiek los, vooral gericht op de toezichthouder van de banken, De Nederlandsche Bank. Dat werd nog eens versterkt door latere debacles zoals Icesafe en DSB.
Uiteindelijk mondde de kredietcrisis niet alleen uit in een (dubbele) recessie, de schuldencrisis en eurocrisis, maar ook in een parlementaire enquete. Je hoorde en zag medewerkers van De Nederlandsche Bank, aangevoerd door haar president, de heer Wellink (die ik hoogacht), verklaringen geven hoe het zo gekomen was en dat het toch echt niet helemaal aan hem en de Bank lag. Dat is ook zo. Het is een zeer complex gebeuren en niet één enkele instantie of persoon treft blaam, het zijn er velen.
 
Maar je zag Wellink denken: dit nooit weer! Daarmee had hij niet zozeer de crisis op het oog, maar veeleer zijn ’tocht naar Canossa’, het voor de leeuwen, politici, media, het volk geworpen worden.
Hoe voorkom je dat? Wat doet een toezichthouder hiertegen? Net als generaals met uitgekiende scenario’s de vorige oorlog gaan bestrijden, doet de toezichthouder dat tegen de vorige crisis. Allerlei maatregelen zien het licht, regels worden uitgevaardigd of verscherpt, het is een drukte van jewelste. Woordvoerders van de toezichthouder putten zich uit om via de media, congressen, spreekbeurten en wat dies meer zij, te wijzen op de risico’s die wij allen lopen. De toezichthouder kan zodoende niets meer verweten worden, hij heeft er immers voor gewaarschuwd! Begrijpelijk! En als het niet te ver doorschiet hoeft het ook niet noodzakelijkerwijs verkeerd te zijn.
 


 De ondertoezichtgestelden proberen in eerste instantie door lobby activiteiten onder de nieuwe regels en regeldruk uit te komen en als dat na verloop van tijd niet lukt, conformeren ze zich. Het gevolg is stilstand. De toezichthouder wijst initiatieven af en blijft waarschuwen voor de risico’s. Ook voor zaken waar ze niet voor zijn aangesteld. Ze breiden hun aandachtsgebied uit. Het risicomijdend gedrag grijpt om zich heen, precies zoals de toezichthouder het voor ogen had.
Na enige tijd echter, misschien wel jaren, staan er kopstukken uit de samenleving op, die wijzen op het teveel aan regels, de stapeling van regels, met als gevolg, verstarring, stilstand, verschraling en kaalslag. Om de wereld weer op gang te brengen, dient de oorzaak, namelijk het risicomijdende gedrag, aangepakt te worden.
Er volgen onderzoeken, wellicht een parlementaire enquete en wie zit er in het beklaagdenbankje, u voelt ‘m al aankomen, juist, de toezichthouder! Precies zoals hij het niet had bedoeld. Hij had immers zijn waarschuwende vinger bij alles wat maar denkbaar was opgestoken? 
 
Maar ja, dat gold voor de vorige crisis.

NB. Het grijs gemarkeerde van de tekst heb ik gekozen bij wijze van achtergrond. Grijs associeer ik met saai Grapje.

De verkiezingen en het zwarte gat

Wat een spannende tijd is het toch: we leven al vier jaar in een crisis (diverse crises eigenlijk) en er zijn weer verkiezingen. En ook al gaan ze in detail steeds over net iets anders – de ene keer gaat het over de hypotheekrente aftrek (2010), de andere keer (dit jaar) bijvoorbeeld over Europa – de beloften blijven en het zwarte gat, zoals dat onlangs door iemand op de televisie genoemd werd, na de verkiezingen ook. Over dit zwarte gat wilde ik het eens even hebben.
Wat is bij verkiezingen dan wel van belang? Waar moeten we dan wel op letten?
Ik denk dat het vooral van belang is om een gevoel te krijgen hoe een lijsttrekker na de verkiezingen met dat zwarte gat zal omgaan. Dat hij of zij goed kan debaten, is naar mijn idee dus niet relevant. Ook zijn of haar ideologie doet er maar ten dele toe. Belangrijk is, hoe sterk is zijn of haar leiderschap, hoe standvastig, resp. hoe goed kan een lijsttrekker na de verkiezingen onderhandelen. Hoe zal hij voor de natie als geheel zorgen, hoe zal hij daar leiding aan geven. Dáár gaat het om, dáár zitten we op te wachten. En daar dienen we tijdens de verkiezingscampagnes een gevoel bij te krijgen.
Want de oplossingen voor allerhande inhoudelijke zaken komen ná de verkiezingen, in elkaar gezet door goede leiders.
En gelukkig, omdat we met meer dan twee partijen zijn, gaat het de ene keer wat naar rechts, de andere keer iets naar links, heel veel maakt het niet uit.
Gevaren zijn er ook: men staat steeds onder meer druk van de waan van de dag. Dus ook daar dienen we op te letten: hoe gaat de lijsttrekker om met die druk en dus vooral ná de verkiezingen. En daar willen we vóór de verkiezingen een gevoel voor krijgen.
Dat maakt het ingewikkeld, daarom is het niet in een eenvoudig ja of nee te vatten.

De Olympische Spelen (deel 2 van 2)

Over de Olympische Spelen blijf ik me verbazen. Hoe komt het dat sommige sporters met een aantal plakken naar huis gaan, voor één sport, bijvoorbeeld zwemmen en andere eindeloos voorrondes moeten spelen, roeien, of zeilen, met erg veel risico’s. Er kan in de tussentijd immers van alles mis gaan. Uiteindelijk leidt het tot één plak, soms helemaal aan het eind van de Spelen.
Of het kan nog anders: bij wielrennen, een teamsport, krijgt alleen de uitverkorene van het team de plak. Het team staat in dienst van deze uitverkorene. De rest is ‘knecht’. Men wint ook wel maar krijgt niets. Vandaar dat Marianne Vos de medaille aan het hele team opdroeg. Waarom werkt dit zo bij deze sport? Hoe zit dat? Hoe werkt dat?
Bij hockey bijvoorbeeld, of bij het roeien van de vrouwen acht, krijgt na een lange aanloop tenminste het hele team een medaille. Als het allemaal goed is gegaan.
En dan de dualiteit: winnen of verliezen. Wat een contrast. Dat is overigens niet zozeer een vraag, het is een constatering, het hoort erbij. Sommige van de turners, bijvoorbeeld, beginnen zoals bekend al als klein kind met turnen en komen na zeg vijftien jaar op de Olympische Spelen. Als ze dat al halen. En dan hebben ze vijftien jaar getraind en dan blijken daar talloze soortgenoten te zijn, de concurrentie en dan eindig je gewoon ergens in de middenmoot of als vierde. Dat is naar verluidt nog teleurstellender. Het verdriet, de teleurstelling, het spat er soms van af.
Maar als je wint, kroon op het werk! De blijdschap, de trots, ook die spat er van af!