Tagarchief: Water

Een ‘near miss’ (6)

Ook nu weer een ‘near miss’. Het is de zesde in een reeks. Ook nu weer over een avontuur met mijn vader en de boot, een gaffel getuigde Scheldeschouw van negen meter. Het was 1967, we waren op de terugweg van onze zomervakantie met de boot naar de Duitse Wadden. We hadden het tot Norderney gebracht. En weer terug. 

‘Binnendoor’

Lees verder Een ‘near miss’ (6)

Een ‘near miss’ (4)

In deze rubriek verhaal ik over de bijna ongelukken (near misses) die mij met mijn avontuurlijke vader overkwamen. Deze keer niet echt levensgevaarlijk, maar toch wel erg spannend: wier in de schroef! Hier volgt het relaas.

Toen ik een jaar of tien was, kocht mijn vader zijn eerste boot: een Waterland kruiser van ruim zeveneneenhalve meter. Een motorboot dus. Hij wilde liever zeilen, maar begreep dat je eerst enige ervaring op het water op moest doen, alvorens het echte werk kon beginnen. De verkoper zei het zo: “meneer De Soet, u gaat nu zeebenen krijgen”. Motorboot of niet, ik vond het prachtig.

Terzijde: Beatle-kuif

Lees verder Een ‘near miss’ (4)

Een ‘near miss’ (3)

Al eerder schreef ik over de bijna ongelukken (near misses) die ik met mijn vader vooral aan boord aan onze zeilboten beleefde. Zie onderaan deze blog voor de verwijslinkjes. Deze keer gaat het over dezelfde zeilvakantie waarbij we eerder al twee near misses hadden meegemaakt. Eén daarvan heb ik reeds aan deze blog toevertrouwd.

The Solent

We voeren naar the Solent, het water tussen het vaste land, de Zuidkust van Engeland en Ilse of Wight. Lees verder Een ‘near miss’ (3)

Een drenkeling

img_0618Dit is een lange blog. Het is dan ook een nogal spannend maar droevig relaas…

Op Tweede Kerstdag besluiten we om rond een uur of één, ondanks de harde wind, naar de Scheveningse pier te wandelen. Het waait inderdaad behoorlijk en het voelt ook erg koud aan. Met muts op en wanten aan lopen we in een fors tempo naar de zee. We lopen langs de onstuimige branding naar het Noorden, richting pier. Ik bedenk me dat het voor de paar surfers die aan het kiten zijn dat de zijwind mij wel handig lijkt: zo kunnen ze mooi heen en weer voor de kust langs scheren.

Een zwemmer

Lees verder Een drenkeling

Vakantie met de Roos

Hebt u dat ook wel eens? Dat juist als jíj met vakantie gaat, het weer omslaat. En als je dan weer terug bent, slaat het weer om.

Dat hadden wij dit jaar. We hebben dit jaar kans gezien precies tussen twee perioden van mooi, zonnig en warm weer in met vakantie te gaan. Drie weken lang. De eerste week woei het hard en gegeven het feit dat we met de Roos, een redelijk grote zeilboot, op pad gaan lijkt dat plezierig, maar het woei soms wel erg hard en dan is dat niet zo. Dan wordt op het water vertoeven, zeilend of anderszins, meer overleven.

De tweede week werd het vooral koud en ook nat. Wat dat laatste betreft, vaak is het zo, dat het toch veel korter regent dan je, binnen zittend, denkt. Op een gegeven moment werd het zo koud, dertien graden, dat we besloten de Wadden, waar we inmiddels waren aangekomen, te verlaten en terug naar het binnenland te gaan. Daar is het altijd een paar graden warmer dan aan de kust. Dat is in Scheveningen, waar we wonen, ook zo. De derde week werd het beter, de zon begon te schijnen, het bleef droog, maar het was nog steeds behoorlijk koud: zeventien graden.

Ondanks dit relaas over het weer, hebben we het erg naar ons zin gehad. We hebben van de ‘nood’ een deugd gemaakt en zijn naar gebieden gegaan waar we normaalgesproken niet komen. Zo kwamen we in Lelystad, in Batavia-haven om precies te zijn. Het is een rustige haven vlakbij de Batavia-werf en Batavia Stad. De haven heeft een enigszins mediterrane uitstraling, met een kleine boulevard met kroegen en restaurants. Daar hebben we gezellig van genoten. Batavia Stad is een outlet, met tal van beroemde merken die hier ‘voor weinig’ hun leftovers slijten.

Na Lelystad zijn we naar Blokzijl gevaren. Ook al zo’n plaats waar je nooit komt, behalve om er te eten bij ‘Kaatje bij de sluis’. Blokzijl en Vollenhoven, zijn voormalige Zuiderzee stadjes en die uitstraling hebben ze weten te behouden: je ziet de oude vissersboten, botters, aken, bollen, schokkers  in de oorspronkelijke haven voor je. Je moet dan wel even door alle motorboten ‘heen’ kijken.

Van Blokzijl gingen we het natuurgebied De Wierden en de Weerribben in. En naar Giethoorn natuurlijk. In Giethoorn hebben een zogeheten fluisterboot gehuurd om door het dorpje en natuurgebied te varen. Een fluisterboot is overigens qua model een replica van een punter, een visserszeilbootje. Er zit nu een elektrische buitenboordmotor op. Vandaar het woord ‘fluister’, want de motor maakt geen lawaai. Het was leuk om te doen en Giethoorn vanaf het water te zien. Het deed me denken aan de film Fanfare van Bert Haanstra uit 1958 waarbij twee rivaliserende fanfare-orkesten elkaar te lijf gaan om een bittere maar komische strijd uit te vechten.

Ook de Weerribben hebben we bezocht. We voeren er met de Roos doorheen. Als je ooit in Nieuwkoop of Vinkeveen bent geweest, kijk je er niet zo van op: het gaat om het afsteken van turf en vervolgens het verbouwen van riet. Maar mooi is het wel.

Koud maar voldaan keerden we naar Woudsend terug.

Zeilen met de Jet

Er zijn van die momenten dat het leven echt aangenaam is, ondanks alle crises die we om ons heen ondervinden, respectievelijk ons laten aanpraten. Zo hebben we een kleine zeilboot, een ‘valk’. Dit type kleine zeilboot heet Geuzenvalk. En hij, eigenlijk zou je moeten zeggen ‘zij’, heet Jet. We hebben het verder over dé Jet. Want zij is geen persoon, maar een ding.
We zeilen er af en toe mee op de de Friese meren, meer in het bijzonder het Heegermeer en de Fluessen. En dat is echt prettig en leuk.
Het is een heerlijke boot. Je blijft er redelijk droog in, hij buist namelijk niet zoveel, tenzij het hard waait. Dan komt er soms toch echt wel buiswater (spatwater) binnen. Bij een beetje wind gaat hij al gauw hard en schuin. Het zeilen met zo’n Valk is echt watersport. Want je bent dicht bij het water. Je kunt overal varen, hij steekt niet diep. De kiel steekt slechts 80 centimeter Je kunt heerlijk langs het riet scheren of dwars over het meer gaan,. Bij een Noordwesten wind kun je helemaal over het Heegermeer en de Fluessen naar de Galamadammen zeilen, in één ruk. En dan weer terug. Alles bij elkaar heb je daarmee met een redelijk windje in anderhalf uur heen en anderhalf uur terug, een flink eind af gelegd.
Je kunt, als je dat zou willen, er met z’n vieren in slapen, maar dat is echt iets voor jongelui, zij slapen immers onder alle omstandigheden. Alhoewel, ik met zeggen, dat ik best samen met mijn Jolan met z’n tweeën een paar nachtjes op de Jet zou willen doorbrengen. De breedte van de kuip, waarvan je op de bodem slaapt, is van een twijfelaar, dus dat zou wel moeten gaan. Toen ik de leeftijd van zo’n 20 jaar had, sliepen we met z’n vieren in een 16 Kwadraat, een grote BM in de volksmond geheten en die is kleiner dan de Valk. Enfin, lijkt me toch wel erg leuk.
 
De boot is in een oogwenk opgetuigd en afgetuigd. Dat gaat zo snel, dat het geen beletsel vormt om ‘even’ een rondje om het meer te doen. Er hangt een hulpmotortje van drie pk achterop. Heb je niet echt nodig, maar is wel handig. Als ergens door bebouwing of bossages de wind wegvalt, hup motortje aan en je bent er weer doorheen,
Wat ook leuk is, is varen met de Roos. Dat is een onderwerp voor een volgende blog.

Mijn vader

Binnenkort wordt ik 60! Kijk, dat is nog eens een leeftijd. Ik kan er ook nog niet helemaal goed bij, het klinkt zo oud en zo wijs. Erg druk maak ik me er overigens niet om.
Wel over iets anders rondom mijn zestigste verjaardag. Want wat is het geval?


Het zorgt ervoor dat ik erg bezig ben met mijn overleden vader. Hij overleed namelijk toen hij 60 was. Zo’n drie maanden na zijn verjaardag. Hij was vanaf z’n 58ste ernstig ziek. Ongeneeslijk. Hij lag eindeloos lang in het ziekenhuis. In Den Haag. Ik studeerde in Leiden en reed twee keer per week naar hem toe om hem te bezoeken.
Op een gegeven moment ging het ineens weer beter. Hij kwam thuis. Hij reed weer auto, ging naar van alles toe. De ziekte leek (toch nog) overwonnen. En dat was precies rond z’n zestigste verjaardag. Hij gaf zelfs een verjaardagsborrel. Ik zie hem nog staan. Hij stond in de woonkamer, met z’n rug naar de haard en hield een korte toespraak. Hij wilde iedereen die zo goed voor hem had gezorgd, bedanken, de afgelopen jaren, de mensen die op bezoek waren geweest, enzovoort. Ineens werd het hem teveel. Moest het wegslikken. De rillingen liepen me over de rug.

Maar we waren blij en opgetogen. Alles ging weer goed. Hij zou met vervroegd pensioen gaan, dingen ondernemen, dingen afronden. En ineens lag hij weer in het ziekenhuis, dit keer in Amsterdam. Dus ging ik ook daarnaar toe. Waar het nu vooral om ging was pijnbestrijding. Het ging bergafwaarts. Hij werd steeds magerder, had veel pijn. Kerst kwam eraan, de jaarwisseling.
Ik zou begin januari op de wintersport gaan. Bij het afscheid op Nieuwjaarsdag, zei hij mij nog: ‘ik weet niet of ik je nog zie’. Ik zei: ‘vast wel, daar ben ik van overtuigd’. Twee dagen later, op 3 januari, is hij overleden. De manier waarop dat is gegaan, is een apart verhaal. Ik weet niet of ik er aan toe ben dat aan mijn blog prijs te geven.
Hoe het ook zij, ik vraag me vaak af, de laatste jaren, toen mijn vader zo oud was als ik nu, wat deed hij toen. Toen hij 53 was, deed hij dit of dat? Of 54, enzovoort. Of een bepaalde herinnering die me ineens te binnen schiet. Ik denk dan, hij moet zo of zo oud geweest zijn. Dat is altijd zo doorgegaan. Vaak heeft het met onze gemeenschappelijke passie te maken: zeilen.
 
Maar binnenkort kan dat niet meer, dan heb ik hem voor de tweede maal overleefd. Het stemt me niet meer verdrietig, daarvoor is het te lang geleden, al 35 jaar. Maar het zet me wel steeds aan het denken….

Griekenland

Wat is het eerste dat bij je opkomt als je aan Griekenland denkt? De euro en/of de eurocrisis? Zo’n antwoord reken ik goed! Maar voor mijzelf is het antwoord in de eerste plaats: het zeilen in Griekenland. Ik ben net terug van een weekje zeilen in Griekenland met vrouw, kinderen en aanhang en vrienden, in totaal maar liefst twaalf mensen verdeeld over twee boten.

Talloze woorden komen in me op om deze ervaring te beschrijven: mooi, prachtig, gezellig, chaos, zon, baaien, haventjes, vriendelijk, goed gezelschap, rotzooi, veel wind, weinig wind, heerlijk, warm zeewater, enzovoort, enzovoort. Alles is van toepassing. Geen woord teveel.

Mooi zijn de baaien en de vergezichten, prachtig is het heldere blauwe en daar waar het ondieper is, turquoise water. Gezellige havens zijn er met daarin erg vriendelijke mensen. Goed gezelschap geldt voor mijn gezin, aangevuld nu met nieuwe aanhang en de vrinden met wie we al jaren in de vakanties optrekken. Dit keer vierden we ons tien-jarig jubileum. De rotzooi slaat op de rotzooi aan boord. Als je met acht mensen op een boot zit, hoe groot het jacht ook is, levert dat vanaf het eerst moment een enorme troep op. Handdoeken, kleren, spullen, tassen, enzovoort. Alles door elkaar. Gewoon negeren, dan valt het mee.

Wind is er volop: in de ochtend doorgaans windstil, rond het middaguur trekt de wind wat aan, om soms tegen het begin van de avond met een stijve bries (windkracht zes) te eindigen. Daarna wordt het doorgaans rustiger. Ik zeg doorgaans, omdat het in onze week een middag, avond en nacht heel erg hard gewaaid heeft. Uitschieters van zo’n 35 knopen wind, ofwel tegen windkracht negen aan! Geen oog dicht gedaan! Wel spannend.
Ook zijn we een nacht, terwijl we voor anker lagen, de twee boten aan elkaar, door de draaiende wind van de ankers ‘geslagen’. Klinkt wat zwaar, beter is om van ‘krabbende ankers’ te spreken, maar we waren nog maar een meter van de rotsen af! Opnieuw geankerd, middenin de nacht, aarde donker, prachtige sterrenhemel en… wachtlopen!
De laatste keer dat ik in Griekenland was, zo’n dertig jaar geleden, was het een soort ontwikkelingsland, met een groeipad naar EU-lidmaatschap. Nu heeft het zich ontwikkeld tot een bijna echt Europees land, met goed geplaveide straten, schone wc’s en natuurlijk hogere prijzen. Ik was onder de indruk.
Op de eilanden waar ik vertoefde en waar toerisme the name of the game is natuurlijk, was niets van een eurocrisis te merken. Alles leek verhuurd. Als gezegd, de mensen waren vriendelijk en gastvrij.
Enfin, ik ben blij met mijn bezoek aan het land. Ik realiseer me dat het in Athene mogelijk anders is, maar toch, ik heb genoten en ben tevreden!

Vakantiemijmeringen: strand, land en zee

Wat ik zo bijzonder aan het strand vind, is het feit dat je op de grens van land en water bent. Kijk je bijvoorbeeld naar een landkaart, of op een zeekaart, dan zie je water en land aan elkaar grenzen. Op het moment dat je aan zee bent, weet je dus precies waar je zit. Dat is anders niet zo. Je bent bijvoorbeeld ergens op het land, in een stad of op het platteland in de provincie. Zo precies zoals bij de scheiding tussen water en land, kun je niet zeggen waar je zit. Ja, tegenwoordig met een kaartplotter lukt dat heel aardig, dat moet ik erkennen.
Kun je me overigens volgen? Ik heb bij het strand altijd zo’n gevoel gehad van, hier gebeurt het! Dit is de plaats. Althans vanuit de kaart bekeken. Kun je daar iets mee? Niets! Gewoon een vaststelling. Grappig vind ik het wel. Ik weet niet of anderen dat ook vinden, maar wat geeft dat.
Een ander punt is dat ik, bijvoorbeeld zittend aan het strand van Mexico, mij realiseer dat, anders dan bij land, de zee waar ik naar kijk, uiteindelijk met de Noordzee verbonden is. Zonder enige onderbreking zou je over dit water waar  aan kunnen komen op het strand van Scheveningen. En dat terwijl we aan de andere kant van de wereld zitten.
Kun je hier iets mee? Ook niets! Ook gewoon leuk om vast te stellen.
Het zijn zomaar vakantiemijmeringen.

Schokland, eiland in het land

Twintig jaar geleden was ik hier voor het eerst: op Schokland. Ik was er samen met mijn toen zevenjarige zoontje. Ik was en ben zeer onder de indruk van dit voormalige eiland in de Noordoostpolder. Hier is geléden. De zee, de stormen, de winterse kou in de slechte behuizing, de armoede en niet te vergeten het geloof. Het moet zwaar geweest zijn voor de godvrezende lieden die hier gewoond hebben.
Het eiland heeft een bewogen geschiedenis. Ik heb er een trilogie van Pieter Terpstra over gelezen. Die begint met de stationering, begin 19e eeuw, van een huisarts. Het eindigt enkele tientallen jaren later, als van overheidswege de laatste bewoners wordt bevolen het eiland om veiligheidsredenen te verlaten. Jaarlijks waren er winterse stormen en als de storm hevig was,  overstroomde het eiland bijna geheel, de houten beschoeiing werd weggeslagen, het beetje vee dat men had, voor zover niet in aller ijl relatief veilig naar de zolder van de schaarse en schamele woningen gebracht, verdronk, de huizen storten soms in en altijd waren er doden te betreuren. Nog afgezien van de vissers die met hun traditionele schokkers niet meer huiswaarts keerden.
En dan het geloof. De Zuiderbuurt en de  Middenbuurt waren protestant en het Noorden katholiek. En je begrijpt, het bloed kruipt waar het niet gaan kan: onder de ruim 600 bewoners op de paar vierkante kilometer, waren er natuurlijk ook jongeren, die een relatie aanknoopten die over de geloofsgrenzen heen gingen. De geliefden troffen elkaar in het geheim, zij het dat de verbinding tussen de verschillende ‘buurten’ uit een plank tussen de palen van de beschoeiing bestond. Niet alleen zag iedereen je, het was ook een ‘eenpersoons plank’. Dat wil zeggen, dat als je een ‘tegenligger’ tegenkwam, je elkaar alleen maar op de plank kon passeren door langs elkaar te draaien en elkaar vooral tegelijkertijd vast te houden, anders viel je in het water of in de drassige bodem.  De ‘schokker dans’. Voor heimelijke liefdes dus niet zoveel ruimte, zij het dat je het natuurlijk niet bij een zo’n draai hoefde te laten…..

Men leefde vooral van de visvangst. En enigszins van de landbouw. Het naburige Urk was relatief welvarender, veiliger ook. En Kampen was de grote stad. Als het vroor en de hongersnood dreigde, kon men over het ijs naar Kampen schaatsen of zeilend met een bootje op ijzers. Als dan plotseling de dooi inzette, kwam men soms ook daar niet meer van terug.

Na de zware stormen in 1816 en 1825, vond de regering in Den Haag het welletjes. De veiligheid kon men niet garanderen, er was niet genoeg geld om jaarlijks de beschadigde beschoeiing te repareren en met had andere zorgen in die dagen. Zo was er bijvoorbeeld een tomeloos hoge staatsschuld.
Dus in 1859 verliet de laatste bewoner het eiland. De meesten gingen naar Kampen. Er bleef een vuurtorenwachter/havenmeester met zijn vrouw achter, tot ook dat niet meer nodig was. In 1942 sloten de dijken van de Noordoostpolder zich en na drooggemalen te zijn was het eiland onderdeel van het land geworden.
Ditgedichtje geeft prachtig aan hoe het eiland ophield te bestaan…..
De dominee uit Urk ging met zijn bootje
Naar Schokland om te preken
Door het ruisen van de zee
Is hij onderweg zijn preek vergeten.


Tien jaar later:
De dominee uit Urk ging me zijn autootje
Naar Schokland om te preken
Door het ruisen van het graan
Is hem zijn preek ontgaan.