De jaren ’70: na de revolutie

De jaren ’70 waren voor mij een verwarrende tijd. Ik voelde me tussen tafellaken en servet. Ik had net iets te jong de revolutie van de jaren zestig, de omwenteling van bijna alles, aanschouwd. Langs de zijlijn keek ik toe. Het waren de jongens die twee, drie klassen hoger zaten, die stakingen organiseerden, hun haar lieten groeien, baarden lieten staan (mocht allemaal niet) en opruiende stukken in de schoolkrant plaatsten. Om maar te zwijgen van de studenten. Dat was helemaal een generatie verder: ik was nog net geen zestien toen de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam plaats vond (mei 1969).
Toen ik zelf als student die leeftijd had, waren de harde kanten er al weer helemaal af. De democratisering van universiteiten had gestalte gekregen. Er werd landelijk nog wel eens gestaakt (bijvoorbeeld tegen het optrekken van het collegegeld naar duizend gulden – 1972), maar van een revolutie was al lang geen sprake meer.
 
Wat overbleef was onzekerheid. We waren – zo voelde ik dat – in een gat gevallen. Veel waar tegen aangeschopt was, was met succes bestreden en verdwenen of vernietigd. Veel was gerealiseerd. Lang haar, baarden en andere uitingen van verzet onder de jeugd, waren gemeengoed geworden. Ook in het leger was dat geaccepteerd. Zo werd ook daar lang haar geaccepteerd en werd zelfs de groetplicht afgeschaft.
Maar er was niet altijd iets voor in de plaats gekomen. Als student, zeker in het begin, voelde ik dat gemis. Veel was onzeker: wat waren de regels, waar kon je op bouwen en waarop niet? Religie was uit, links was in, ja beter nog was het communist te zijn. Als je dat was, hoorde je er helemaal bij.
Men vond wel dat ze er in de Sovjet Unie een potje van maakten en ja in de DDR ook, maar de Chinezen, dat was zoals het moest zijn. Ja, zei ik maar, om er vanaf te zijn. Gevoelsmatig klopte het niet.
 
We hadden de seksuele revolutie gehad, min of meer, maar we wisten niet goed wat er nu moest gebeuren. Angst was er voor zwangerschappen. De pil was nog geen gemeengoed. Er was weinig over te vinden of te lezen, want het was allemaal nieuw. En als er al iets viel te lezen, dan werd het omfloerst beschreven, geen klare taal.
Ondernemen was uit, winst maken vies, we werden geacht te demonstreren, tegen van alles en nog wat. De oorlog in Vietnam bijvoorbeeld. President Nixon moest aftreden, ook iets dat nog nooit gebeurd was. Carrière maken was iets dat je niet besprak: het woord ‘carrière’ was foute boel.
Later was ik wel eens jaloers op latere generaties studenten, die zoveel meer zekerheden hadden. De verwarring was voorbij, er was een nieuwe orde ontstaan, daar kom men zich aan vastklampen. Hippies waren op hun retour, anti autoritair gedrag was niet meer nodig, sterker, men wilde niet meer: een serie op tv volgen, dat kreeg prioriteit! 
Ondernemen bleek toch wel nuttig, winst maken eveneens en er deel van uitmaken  – carrière maken dus –  was niet langer fout. Het communisme was een mislukt project en socialisme – inmiddels omgevormd tot ‘sociaal democratie’ – had zo goed als alle doelstellingen bereikt. 
Het is dus allemaal op zijn plaats gevallen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.