Garage Van Soest BV

Ik ben ooit bijna een garage begonnen. Dat zat zo:
Het zal 1976 geweest zijn. Ik studeerde rechten in Leiden. Ik deed dat niet onverdienstelijk. Ik woonde aan de Haagweg en reed een zogeheten Lelijke Eend. Een Deux Chevaux, een 2CV. De uitvoering van vóór 1970, voor de kenner: vóór de introductie van de 2CV4. Die uitvoering vond ik maar niks, het was net een echte auto, dat was nieuwlichterij.
Ik had de auto gekocht terwijl ik in dienst zat, in 1974, in Duitsland, daar lag ik met mijn eenheid, het 43ste Tankbataljon. En met die eend reed ik eens in de zoveel tijd heen en weer. Ik verdiepte me in de techniek van de auto en was in staat het ding geheel zelf te onderhouden. Doorsmeren, olie verversen, ontsteking afstellen, uitlaat vervangen, na eerst langdurig met gum gum (wie kent het niet!) de gaten te hebben gedicht, kleppen stellen, cilinders vervangen, tot de hele cilinderkop aan toe. Ook beheerste ik het vervangen van de schokdempers. Uiteindelijk heb ik zelfs een keer met een vriend de krukas vervangen. Die vriend had ik nodig omdat hij een momentsleutel had en ik niet. Ik had goed gereedschap en ook wel speciaal op de eend toegesneden, maar een momentsleutel gebruikte ik te weinig en vond ik te duur.
Om aan onderdelen te komen, kocht ik soms een complete eend bij de Eendspecialist in Leiden voor minder dan 100 gulden en bij de reparatie van bijvoorbeeld een cilinderkop had ik de kosten er al meteen weer uit.
Zo bezat ik op enig moment tegelijkertijd drie eenden, waarvan twee rijdend. De derde diende als opslagplaats voor onderdelen, gereedschap en ook als leverancier van onderdelen. Ook kon ik tussen de eenden switchen, al was het alleen al om zo’n ‘opslagplaats’ rijdend te krijgen. Daarnaast voerde ik reclame op de auto’s voor Bas Uitzendbureaus en dat leverde zo’n 25 gulden per maand op.
Op een goede dag was ik aan het sleutelen aan overkant van de straat op de parkeerplaats van de kerk (speciaal met de kerkvader zo geregeld), toen een grote Citroën (je weet wel, zo’n strijkijzer) met een man erin die bij mijn openliggende auto’s waar ik bezig was stopte en een praatje begon. Of ik er veel verstand van had, van dat sleutelen, of ik het leuk vond, hoe ik aan mijn onderdelen kwam, enzovoort. En met één voet op een van mijn spatborden leunend, zei hij vervolgens: “ik ken wel meer van die jongens zoals jij, als student gesjeesd en goed in het sleutelen aan auto’s en dan beginnen ze een garage. Iets voor jou?” en hij gaf mij zijn kaartje. Vroeg of ik hem wilde bellen.
Daar stond ik even van te kijken. Een garage beginnen! Geld verdienen, met auto’s, dat leek me wel wat. Ik had meteen al een naam voor de garage. Ik heb als achternaam De Soet, maar velen noemden me in Leiden Van Soest, dus dat werd Garage Van Soest BV. Fantastisch!
Maar ja, ik ben geen ondernemer, ik wilde afstuderen en dat ben ik toen maar gaan doen. Toen ik goed en wel was afgestudeerd (in 1978), heb de eenden verkocht en ben overgestapt op de Renault 4. Ik vond dat beter bij mijn afgestudeerde status passen. Ik heb sindsdien nooit meer aan een auto gesleuteld.

Ik ben gerold!

 

Het was Koninginnedag 2012. Een super druk straatje in Amsterdam met alleen maar in het oranje geklede mensen. Het was de enige mooie dag van het jaar. Het was zo warm dat mijn jas met daarin mijn portemonnee omgekeerd aan mijn middel hing. Ik wist dat de portemonnee nog in mijn jas zat, want ik voelde geregeld dat hij er nog was. Hij zwiepte de hele tijd tegen mijn knie aan. Het volgende moment was hij verdwenen! 

Ongetwijfeld heeft de eveneens in het oranje geklede dief een tijd met mij opgelopen en heeft hij dat ook na de diefstal gedaan, om vervolgens wat van mij af te zwenken, op te gaan in de oranje massa,  het contante geld eruit te halen en de rest, dat wil zeggen, de portemonnee met pasjes waar je die dag niets aan had, weg te gooien. Dat laatste bedacht ik me pas later, lang nadat ik alles wat er te blokkeren viel, had geblokkeerd.
Wat een toestand! Het eerste dat in mij opkwam, was inderdaad het blokkeren van de passen. Dat heb ik gedaan. Dat gaat echter niet zomaar, nee, je moet voor elke pas en credit card een ander nummer draaien. Dat had ik overigens ooit voorbereid, door dat soort telefoonnummers in mijn contacten op te slaan. Trots ga ik aan de slag. De eerste vraag die men stelt, nadat men beleefd zijn medeleven heeft betuigd – en daar zit ik niet op te wachten, ik wil immers blokkeren en wel zo snel mogelijk – is, wat het nummer van de kaart is. Dûh, de kaart is net gestolen. Oh ja, da’s waar ook.
Vervolgens blijkt achteraf dat sommige helpdesk medewerkers vergeten zijn mij te vragen of ik een nieuwe pas wil. Natuurlijk wil ik dat! Dat hoef je toch niet te vragen! Na een week kom ik erachter dat ze het vergeten hebben mij te vragen, dus gebeurt er niets.
Ook mijn rijbewijs is weg. Ligt ongetwijfeld ergens in de gracht. Aangifte doen. De dienst doende ambtenaar wijst mij erop dat ik zonder rijbewijs niet aan het verkeer mag deelnemen. Maar, zo breng ik daar tegen in, met een paspoort (=identiteitsbewijs) en een procesverbaal van vermissing (komt in de plaats van het rijbewijs), zou ik toch een heel eind moeten komen, zou ik – geheel theoretisch uiteraard – tegen een bon aanlopen. De dienst doende ambtenaar steekt er zijn hand niet voor in het vuur.
Bij het stadsdeelkantoor meld ik enthousiast dat ik het, gegeven de omstandigheden, met al deze papieren, die tezamen ongeveer een rijbewijs opleveren, toch wel erg goed voor elkaar heb. Maar ook hier valt een snedige opmerking dat ik niet geacht word aan het verkeer deel te nemen, mij ten deel. En ik moet nog een opslag op de kosten voor de diefstal betalen ook!
Enfin, veertien dagen later heb ik bijna de helft van alle spullen weer terug. Met uitzondering van het contante geld uiteraard en een tegoedbon van de Mediamarkt. Die ben ik natuurlijk ook kwijt! 

Stephen Covey 2, overtuigingen en… doorbraken

Twee oorlogsschepen die voor een oefening deel uitmaakten van een eskader, waren al dagen bezig met manoeuvres in zwaar weer. Op de brug van het schip dat het eskader aanvoerde stond de kapitein. Hij hield alles in de gaten.

Vlak nadat de duisternis was ingevallen, meldde de wacht: “Licht aan stuurboord.”
“Recht of niet?” riep de kapitein.
“Recht, kapitein!” antwoordde de wacht. Er bestond gevaar voor een aanvaring.
De kapitein riep tegen de seiner: “Sein: aanvaring dreigt, verander uw koers twintig graden.”
Het schip seinde terug: “Advies aan u, verander uw koers twintig graden”.
De kapitein riep: “Sein: ik ben kapitein, verander uw koers twintig graden”
“Ik ben luitenant tweede klas,” was het antwoord. “Verander u koers twintig graden”.
De kapitein werd razend. Hij schreeuwde: “Sein: dit is een oorlogsschip! Verander uw koers twintig graden!”
Daarop kwam het signaal: “Dit is een vuurtoren”.
En het schip veranderde van koers.

(Uit: Stephen Covey, De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. De bron in het boek luidt: uit: Frank Koch, Proceedings, tijdschrift van het Naval Institute).

Ik heb al eerder over het gedachtengoed van Stephen Covey geblogt. Dat ging over het boek: De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. Voor de essentie is het beter om de oorspronkelijke Engelse titel te gebruiken: The Seven Habits Of Highly Effective People.

Lees verder Stephen Covey 2, overtuigingen en… doorbraken

Benden, benden en benden!

De winterbanden konden er weer af. Enkele dagen geleden. Ik was een beetje aan de late kant dit jaar, kun je wel zeggen. Het is immers al mei. Niet dat het erg is, want het is zo koud en de banden werken vooral goed als het koud is. Tot zo’n negen graden.
Maar waarom zo laat? Dat komt omdat ik van de gelegenheid gebruik wil maken bij Kwik Fit aanwezig te zijn, als ze de banden vervangen. Ik ga er graag zelf naar toe en dat kan alleen ’s ochtends vroeg. Het zijn daar vriendelijke mensen, je krijgt er koffie en ik vind vreemd genoeg de omgeving leuk. Het duurt maar kort, misschien komt het daarom, als ik er de hele dag zou moeten zitten, zou het misschien anders zijn.

Ik zit afwisselend in de wachtruimte, ik loop een beetje heen en weer, kijk naar de auto’s en mijn eigen auto op de brug en ben helemaal omgeven door banden, banden en nog eens banden. De Amerikaan van de Profile Tire Centre reclame zou zeggen: benden, benden en nog eens benden. En coffee.

Hoe verloopt de bandenwissel? Daar zie ik op toe. Ben ik bang dat het niet goed gaat, nee, ik vind het leuk om ernaar te kijken, naar ervaring aan het werk. Doen ze het goed, zit er iemand met kennis en ervaring aan de ‘knoppen’. Want knoppen zijn het: er komt geen sleutel meer aantal te pas. Het zijn een soort lucht gedreven (pneumatische?) boormachines, die de banden met veel geratel van en aan de auto doen. Alles gaat verder elektrisch. Ook het verwisselen van de banden van de velgen.
Totdat alles gereed is: dan word ik uitgenodigd om persoonlijk toe te zien hoe de monteur met de momentsleutel de moeren aan de laatste toets onderwerpt. Een momentsleutel geeft een klik als de ingestelde norm is bereikt. Dan weet je zeker dat de moer goed vast zit en niet té vast. Hij breekt niet.
In dienst leerden we dat als een bout afbrak, je een kwartslag moest terugdraaien. Of, vlak voordat hij afbreekt, moest stoppen met draaien.
Zo zit dat.

Schokland, eiland in het land

Twintig jaar geleden was ik hier voor het eerst: op Schokland. Ik was er samen met mijn toen zevenjarige zoontje. Ik was en ben zeer onder de indruk van dit voormalige eiland in de Noordoostpolder. Hier is geléden. De zee, de stormen, de winterse kou in de slechte behuizing, de armoede en niet te vergeten het geloof. Het moet zwaar geweest zijn voor de godvrezende lieden die hier gewoond hebben.
Het eiland heeft een bewogen geschiedenis. Ik heb er een trilogie van Pieter Terpstra over gelezen. Die begint met de stationering, begin 19e eeuw, van een huisarts. Het eindigt enkele tientallen jaren later, als van overheidswege de laatste bewoners wordt bevolen het eiland om veiligheidsredenen te verlaten. Jaarlijks waren er winterse stormen en als de storm hevig was,  overstroomde het eiland bijna geheel, de houten beschoeiing werd weggeslagen, het beetje vee dat men had, voor zover niet in aller ijl relatief veilig naar de zolder van de schaarse en schamele woningen gebracht, verdronk, de huizen storten soms in en altijd waren er doden te betreuren. Nog afgezien van de vissers die met hun traditionele schokkers niet meer huiswaarts keerden.
En dan het geloof. De Zuiderbuurt en de  Middenbuurt waren protestant en het Noorden katholiek. En je begrijpt, het bloed kruipt waar het niet gaan kan: onder de ruim 600 bewoners op de paar vierkante kilometer, waren er natuurlijk ook jongeren, die een relatie aanknoopten die over de geloofsgrenzen heen gingen. De geliefden troffen elkaar in het geheim, zij het dat de verbinding tussen de verschillende ‘buurten’ uit een plank tussen de palen van de beschoeiing bestond. Niet alleen zag iedereen je, het was ook een ‘eenpersoons plank’. Dat wil zeggen, dat als je een ’tegenligger’ tegenkwam, je elkaar alleen maar op de plank kon passeren door langs elkaar te draaien en elkaar vooral tegelijkertijd vast te houden, anders viel je in het water of in de drassige bodem.  De ‘schokker dans’. Voor heimelijke liefdes dus niet zoveel ruimte, zij het dat je het natuurlijk niet bij een zo’n draai hoefde te laten…..

Men leefde vooral van de visvangst. En enigszins van de landbouw. Het naburige Urk was relatief welvarender, veiliger ook. En Kampen was de grote stad. Als het vroor en de hongersnood dreigde, kon men over het ijs naar Kampen schaatsen of zeilend met een bootje op ijzers. Als dan plotseling de dooi inzette, kwam men soms ook daar niet meer van terug.

Na de zware stormen in 1816 en 1825, vond de regering in Den Haag het welletjes. De veiligheid kon men niet garanderen, er was niet genoeg geld om jaarlijks de beschadigde beschoeiing te repareren en met had andere zorgen in die dagen. Zo was er bijvoorbeeld een tomeloos hoge staatsschuld.
Dus in 1859 verliet de laatste bewoner het eiland. De meesten gingen naar Kampen. Er bleef een vuurtorenwachter/havenmeester met zijn vrouw achter, tot ook dat niet meer nodig was. In 1942 sloten de dijken van de Noordoostpolder zich en na drooggemalen te zijn was het eiland onderdeel van het land geworden.
Ditgedichtje geeft prachtig aan hoe het eiland ophield te bestaan…..
De dominee uit Urk ging met zijn bootje
Naar Schokland om te preken
Door het ruisen van de zee
Is hij onderweg zijn preek vergeten.


Tien jaar later:
De dominee uit Urk ging me zijn autootje
Naar Schokland om te preken
Door het ruisen van het graan
Is hem zijn preek ontgaan.

Sparta, de voetbalclub van Rotterdam

Onlangs ben ik naar een voetbalwedstrijd geweest. Het gaat om Sparta tegen Veendam. Dat zijn twee Eerste Divisie clubs, dus het stelt eigenlijk niet zoveel voor. Want het is geen Ere Divisie. Sparta is niet alleen de oudste, het is ook de netste onder de betaald voertaal clubs. Dat laat ik me althans vertellen.
Ik ga samen met mijn zoon, Bart, op een kaartje van mijn schoonvader. Beiden zijn verstokte Sparta fans. Ondanks het feit dat Sparta twee jaar geleden naar deze klasse degradeerde, zijn ze hun club trouw gebleven. Dat is toch mooi? Ook alle andere bezoekers, het zijn er niet zoveel als anders, beweert Bart, want het is Tweede Paasdag en dan gaan de mannen met hun vrouwen naar de meubelboulevard.
Maar goed, ik zit naast Bart en aan de andere kant naast mij zitten van die stevige, stoere, typische Rotterdamse binken. Als de Sparta Mars wordt aangeheven, gaat iedereen staan en begint op de maat mee te klappen. De aanstekelijke mars is aanvankelijk instrumentaal,  en schalt door de luidsprekers. Ineens stopt het en volgt er een daverend driemaal ‘hoi’. Hét signaal voor het stadion om voluit met een prachtig lied los te barsten. Ik kijk naar links. De stoere binken staan hun lied te zingen en mee te klappen. Wat  is dat prachtig. Wat een kleine hartjes. Ik krijg er tranen van in mijn ogen. De tekst gaat over trouw, glorie, voor- en tegenspoed, de kleuren van de club. Dat soort dingen. Het is fantastisch! Wat een loyaliteit!
Ik wistdit allemaal al, want ik heb dit al eens eerder meegemaakt. Ik heb dan ook speciaal voor deze gelegenheid de woorden gegoogled en uit het hoofd geleerd, om uit volle borst mee te kunnen zingen. Hier kom ik voor. Ik hoop dat er veel doelpunten zullen vallen, voor Sparta natuurlijk, want dan wordt de yell (de slotregel) weer aangegeven. Echt geweldig.
Op dat punt word ik niet teleurgesteld: het wordt 2-1 voor Sparta, dus dat betekent twee keer de yell, plus bij de aanvang van de tweede helft.
Verder is de wedstrijd niet om aan te zien. De bijna hoogste van de Eerste Divisie (Sparta) tegen de bijna laagste (Veendam). Het moet een groter verschil opleveren. De fans schelden er tijdens de wedstrijd vrolijk op los, ik hoor allerlei discussies om me heen, de grensrechter loopt vlak voor ons heen en weer en krijgt het zwaar te verduren, maar uiteindelijk sluiten de aanhangers hun team weer in het hart. Direct na het laatste fluitsignaal, klinkt nog eenmaal de yell:
‘Zullen wij laten ho-ho-ren, SP-AR-TA!’ Prachtig!
Hier volgt voor de liefhebber het filmpje van de mars:

Stephen Covey 1, zijn gedachtengoed

Wel eens gehoord van Stephen Covey? Hij is een goeroe uit Amerika en vervult een leidende positie op het gebied van management en leiderschap, de daarbij behorende vaardigheden en technieken en vooral gedrag. Waar gaat het over?

Het gedachtengoed van Stephen Covey bepaalt, als ik voor mezelf spreek, in grote mate wat, wanneer, hoe en waar ik iets doe of waarvan en wat ik van iets vind. Voor de goede orde, niet op religieus gebied. Daar gaat het niet over. Ik vind daar wel iets van, maar niet nu.

Het gaat bij Covey om zakelijke én persoonlijke ontwikkeling. Zijn gedachtengoed is universeel, is vanzelfsprekend. Hij heeft het op een eenvoudige en begrijpelijke wijze  opgeschreven in zijn boek The Seven Habits Of Highly Effective People, in het Nederlands vertaald als ‘De Zeven Eigenschappen Van Effectief Leiderschap’. Ik zelf spreek liever van ‘gewoonten’ in plaats van ‘eigenschappen’. Dat betekent dat je het kunt aanleren. ‘Eigenschappen’ heeft voor mij meer iets dat je dat bij je geboorte mee krijgt.

Lees verder Stephen Covey 1, zijn gedachtengoed

Organisatiestructuur zonder woorden … Nee, toch maar niet

Onlangs plaatste ik een naar mijn idee bijzonder grappige afbeelding over een organisatiestructuur.
De begeleidende tekst bij de blog was:
Need I Say More …  Grapje! Welnu, ik heb me vergist. Er valt wel wat over deze grappige afbeelding te zeggen, want ik vernam dat mensen zich aan het plaatje stoorden. Mijn eerste reactie daarop was, hoe is het mogelijk? Iedereen ziet toch dat dit grappig bedoeld is? Shit en assholes. Net als grappen van en over Fokke & Sukke, of de scherpe teksten van Loesje.
Maar nee, het blijkt dat als je lager in de organisatie staat, je hieruit zou kunnen opmaken dat management zo over jou zou kunnen denken. Management schijt op ons medewerkers, zoiets. Ik werp deze gedachte verre van mij. Sterker nog, de werkvloer, als ik dat zo mag noemen, ook hier oppassen, neem ik juist heel erg serieus. Daar doe ik van alles aan, omdat het management altijd het risico loopt te ver verwijderd te raken van diezelfde werkvloer. Een van de dingen die je ertegen kunt doen, tegen die afstand, is veelvuldig op de werkvloer rondlopen. Ook wel ‘management by walking around’ genoemd.
En wat het grapje betreft, een grap over Sam en Moos bijvoorbeeld, maakt degene die hem uitspreekt nog niet tot een antisemiet. Dus, beste lezer, vooral niet alles letterlijk nemen, de humor vasthouden. En wat mijzelf betreft, ik zou de laatste zijn, die op ‘mijn’ mensen zou willen ‘schijten’. Daarvoor ben ik veel te trots op ze! Of ik een asshole ben? Ik laat het graag aan anderen over om dat te beoordelen.

Paul McCartney, once again

Onlangs schreef ik over Paul McCartney. Over zijn optreden in New York, ter gelegenheid van het openen van het City Field stadium.

En nu (maart 2012) ben ik zelf naar een optreden gegaan. In Ahoy Rooterdam. Dat was een feest! Dat was fantastisch! Daar stond deze bijna 70-jarige rocker te spelen alsof hij 20 was. En hij genoot!

Vooral Beatle-nummers kwamen langs. En een aantal zeer goede Wings-nummers. Ik denk niet dat er een nummer bij was dat ik niet mee kon zingen. Zo dichtbij de Beatles was ik nog nooit geweest. Zoals ooit iemand schreef, bij een andere gelegenheid waarbij Sir Paul optrad, he wrote them, he sang them, how close can you get?
Er zat een tribute aan John Lennon bij, aan George Harrison en vanuit het publiek werd spontaan Yellow Submarine, ooit door Ringo Starr gezongen, gescandeerd.

Voor de liefhebber hierbij een linkje naar het optreden in Ahoy. Met de setlist en wat filmpjes.

http://www.setlist.fm/setlist/paul-mccartney/2012/ahoy-rotterdam-netherlands-7bde3224.html

Ik ben ooit voetbalcoach geweest

Zo, daar kijk je van op, nietwaar. Ik moet er wel meteen bij zeggen, coach is een groot woord. Te groot. Veel te groot eigenlijk. Ik was niet meer dan de wat ze noemden, de leider. En dat klinkt ook veel te groot. Mijn taak was erg eenvoudig en ondersteunend. Dat wil zeggen, dat ik het elftal bij uitwedstrijden naar de locatie van de thuisclub reed en leiding aan de stoet auto’s gaf, zonder Tom Tom overigens, want die bestond nog niet. We hebben bij menig tankstation overlegd, waar in hemelsnaam dat voetbalveld lag. Het was 1991- 1992. En de jongens waren pas een jaar of zeven. Dus ik was de leider van de f’jes.

Ik ontving de ouders van de tegenpartij bij thuiswedstrijden. Ik hield de score bij en wikkelde dat administratief af, ik heb menig bestuurskamer van binnen gezien. En …. er waren ook mindere momenten, bij thuiswedstrijden soms. Dat waren de keren dat ik moest fluiten. Bij gebrek aan een echte scheidsrechter. Nou weet ik niet veel van de regels, maar dat was niet zo erg. Ik floot er maar wat op los, of helemaal niet. Het liep altijd wel. Maar wat vooral lastig was, was wat te doen als de bal uit ging. Ik had echt niet door wie hem als laatste had geraakt. Gelukkig bood de oplossing zich vaak vanzelf aan: de jongens regelden het onder elkaar. En als een van beide partijen de bal oppakte om in te gooien, wees ik vervolgens de goede kant op. Ging negen van de tien keer goed.

Er waren natuurlijk ook wel ouders, die commentaar hadden, die vonden dat bij twijfelgevallen de gasten de bal moesten krijgen, maar dat waren meestal de ouders van deze gastspelers! Echt gefrustreerde ouders, daar krijg je pas bij de e’tjes mee te maken. Niveautje hoger. Wat ook wel eens gebeurde, was dat als de bal over de achterlijn rolde en zelfs ik zag dat het een doeltrap was, een ouder langs de lijn ‘corner’ riep. Daarop aangesproken, zei hij dan doodleuk: het was toch het proberen waard?

En wie zat er nou in dat team, behalve mijn eigen zoon natuurlijk? Niemand minder dan Guyon Fernandez, die tegenwoordig de niet onverdienstelijke spits van Feyenoord is. Dat was toen niet echt te voorzien overigens, want Guyon was in die dagen werkelijk niet vooruit te branden! En wat ook niet te voorzien was, dat hij alleen al dit seizoen elf wedstrijden is geschorst, wegens buitensporig geweld. Toch ben ik wel een heel klein beetje trots.
Enfin, na anderhalf jaar ben ik met pensioen gegaan.