De Maya’s (deel 1 van 2)

In juli waren we in Mexico. In de kustplaats Cancún om precies te zijn.
We hebben een korte rondreis door de provincie Yucatán gemaakt. Autootje gehuurd en er op uit. Naar het Maya gebied. Want de Mexicaanse provincie Yucatán is het Maya gebied bij uitstek. We hebben in deze provincie de voormalige Maya stad Chechén Itzá, één van de Zeven Nieuwe Wereldwonderen, bezocht. Chechén Itzá is de plaats waar een tempel uit de 10e eeuw min of meer in tact is aangetroffen. Het is zo’n tempel waar men mensen offerde – alhoewel dat wordt betwijfeld – om de goden gunstig te stemmen.
Dat gebeurde tijdens offerfeesten die rondom de vier belangrijke momenten in een jaar werden georganiseerd. Deze vier momenten hebben met de stand van de zon te maken: de langste en de kortste dag en de twee er tussenin, namelijk wat wij het begin van de lente en de herfst noemen. Dat komt dus bekend voor. Want bijvoorbeeld de kortste dag bij ons in de westerse wereld, wordt door middel van het kerstfeest gevierd. De komst van het licht. Oorspronkelijk vierden de Germanen na de kortste dag ook de terugkeer van de zon.
Overigens offerden de Maya’s natuurlijk ook aan andere goden, zoals de god van de regen, de vruchtbaarheid, enzovoort. Dat gebeurde niet op de tempel, maar bij een zogeheten Cenote, een soort half ondergrondse grot die ondergrondse waterstelsels bevatte. Het verhaal gaat dat jonge mensen aan de god van de regen werden geofferd door ze in het water van de Cenote te gooien. Ook hierover is de wetenschap verdeeld.

De Maya’s hebben zich, zoals bekend, toegelegd op wat wij nu noemen, de Maya kalender. Door het eeuwenlang nauwgezet volgen van de bewegingen van de hemellichamen, namen ze cycli waar. En dat met hele beperkte middelen. Zo’n cyclus is bijvoorbeeld die van de hierboven genoemde vier momenten in het jaar, maar ook langere cycli waarbij onder andere de getallen negen, dertien, achttien, twintig, tweeënvijftig, maar ook 63.081.429 van belang zijn. Zo staat tweeënvijftig bijvoorbeeld voor een Maya eeuw. Zie ook: http://www.mayasite.nl/maya_telling.htm. En heel bekend natuurlijk is de cyclus die eindigt op 21 december 2012. Het was dan ook bijzonder om uitgerekend in 2012 daar te zijn.
Omdat de cyclus dit jaar eindigt, concluderen veel mensen dat de wereld zal vergaan. En is dat ook zo ……?
In de volgende blog wil ik graag op de Maya-kalender en haar gevolgen ingaan.

Canal Parade

Ik ben naar de Canal Parade geweest. Dat is onderdeel van de Gay Pride manifestatie in Amsterdam. En nee, ik ben zeker geen homo, ik was er gezellig samen met mijn Jolanda.

Wat in de eerste plaats opviel, is dat wij samen een uitzondering vormde: overal liepen stelletjes hand in hand, maar allemaal homo’s en lesbo’s. En verder waren er veel extravagant uitgedoste, carnavaleske types te zien. Naast de, laat ik maar voorzichtig zeggen, heel gewoon uitziende homo’s en lesbo’s, zie je ook travestieten, transgenders, mannen in leer, sommigen met riemen en kettingen, drag queens (had ik nog nooit van gehoord, het staat voor DRessed As Girl), potten en wat dies meer zij. Ik neem aan dat dit wel een wat vertekend beeld van de gay scene geeft.
Eigenlijk was het gewoon één groot feest. Een extreem feest. Je kunt je zelfs de vraag stellen of het nog wel wat met emancipatie te maken heeft, net zoals carnaval ook wat van het oorspronkelijk rooms katholieke feest verwijderd is geraakt.
Eén groot feest dus. Op de Prinsegracht kwamen en gingen beschilderde boten, overvol, als ‘haring in een tonnetje’, met mannen en vrouwen, uitgedost in allerlei overwegend roze gekleurde kledingstukken, de een nog extravaganter dan de andere. Sommigen waren ook behoorlijk bloot. Allemaal stonden ze uitzinnig te swingen, opgezweept door harde discomuziek. In deze verhitte sfeer gingen ze helemaal uit hun dak. En elke keer dat er weer een boot langskwam, begonnen ook op de kant toeschouwers mee te swingen, aangestoken door wat er aan roze opwinding aan hen voorbijtrok.
Naast dit fantastische kleurrijke en swingende geheel, werd gaandeweg duidelijk dat de boten ook ergens voor stonden: ze vertegenwoordigden behalve organisaties als het COC, ook politieke partijen, publieke omroepen, de brandweer, het leger, ministeries, er was een vijftigplus boot, een Turkse boot, een met gay stewardessen, bekende Nederlanders, ga zo maar door.
Overal in Amsterdam wapperde tijdens de Gay Pride de homovlag. Aan de huizen, aan de cafés, op paraplu’s, kinderen met homovlaggetjes, overal. En als ik die vlag zo eens bekijk, dan denk ik dat het niet zozeer een homovlag is, maar eerder een emancipatievlag: met alle kleuren van de regenboog vertegenwoordigt hij als symbool de gezamenlijkheid van mensen, die een minderheid vertegenwoordigen. Net als de nationale vlag van Zuid Afrika. Ik vind dat wel een erg mooi: een vlag voor emancipatie, tolerantie, vrijheid en gelijkheid.
De sfeer was dus fantastisch, geen agressie, geen incidenten, gewoon een heel gezellig, vrolijk gebeuren op en rond het water. Goed georganiseerd, overal op de kant gastvrijheid, plezier en lachende mensen. Het was dan ook voor niet-homo’s, zoals ik – ook al blijk je ineens in de minderheid – heel leuk om mee te maken. 

De Olympische Spelen (deel 2 van 2)

Over de Olympische Spelen blijf ik me verbazen. Hoe komt het dat sommige sporters met een aantal plakken naar huis gaan, voor één sport, bijvoorbeeld zwemmen en andere eindeloos voorrondes moeten spelen, roeien, of zeilen, met erg veel risico’s. Er kan in de tussentijd immers van alles mis gaan. Uiteindelijk leidt het tot één plak, soms helemaal aan het eind van de Spelen.
Of het kan nog anders: bij wielrennen, een teamsport, krijgt alleen de uitverkorene van het team de plak. Het team staat in dienst van deze uitverkorene. De rest is ‘knecht’. Men wint ook wel maar krijgt niets. Vandaar dat Marianne Vos de medaille aan het hele team opdroeg. Waarom werkt dit zo bij deze sport? Hoe zit dat? Hoe werkt dat?
Bij hockey bijvoorbeeld, of bij het roeien van de vrouwen acht, krijgt na een lange aanloop tenminste het hele team een medaille. Als het allemaal goed is gegaan.
En dan de dualiteit: winnen of verliezen. Wat een contrast. Dat is overigens niet zozeer een vraag, het is een constatering, het hoort erbij. Sommige van de turners, bijvoorbeeld, beginnen zoals bekend al als klein kind met turnen en komen na zeg vijftien jaar op de Olympische Spelen. Als ze dat al halen. En dan hebben ze vijftien jaar getraind en dan blijken daar talloze soortgenoten te zijn, de concurrentie en dan eindig je gewoon ergens in de middenmoot of als vierde. Dat is naar verluidt nog teleurstellender. Het verdriet, de teleurstelling, het spat er soms van af.
Maar als je wint, kroon op het werk! De blijdschap, de trots, ook die spat er van af!

De Olympische Spelen (deel 1 van 2)

Je wordt er toch wel door gegrepen, door de Olympische Spelen. Je kunt er ook niet echt omheen, want het is aan de orde van de dag. En het is spannend. Maar ik heb wel wat vragen.

Hoe komt het toch dat er sporters zijn, die bij wijze van spreken moeiteloos vijf keer achter elkaar wereldkampioen worden, in de een of andere sport, soms een paar weken voordat de Spelen gehouden worden en op de Olympische Spelen op z’n best brons pakken. Als ze er al aan te pas komen en niet roemloos ten onder gaan. Heel verdrietig, want ze waren immers de kanshebber, de favoriet.
Is het de mentale druk, die zo lastig te hanteren is? Omdat het de Olympische Spelen zijn, die ten slotte maar eens in de vier jaar worden gehouden? Of is het het zijn van de favoriet? Dat schept naast de prestatie die geleverd moet worden, nog een extra verwachting, die er bovenop komt. Ik vind het moeilijk te doorgronden.
Het moet wel een mentale kwestie zijn. Ook bij een WK of EK Voetbal zie je het terug: denk aan ons eigen Nederlands Elftal: twee jaar geleden finalist bij het WK Zuid-Afrika in 2010, nu zou je zeggen, een zilveren plak, niks mis mee en twee jaar later tijdens het EK bakken ze er werklijk niets van. Bijna hetzelfde team, dezelfde trainer, bijna dezelfde omstandigheden, maar het lukte niet.
Een gunstige uitzondering zijn misschien de hockeyvrouwen. Vier jaar geleden bij de Spelen in Beijing in 2008 goud, door een uiterst gecultiveerde mentale hardheid. Ik noem een voorbeeld: een achterstand tijdens een wedstrijd werd uit de gedachten verbannen. Het was er wel, maar ergens in het achterhoofd en het speelde daardoor tijdens het uitspelen van de wedstrijd, geen rol van betekenis. Als de achterstand zodoende niet in de weg zit, kun je als het ware ‘gewoon’ doorspelen en vanuit die mentaal neutrale positie toch je doelpunten scoren en winnen.
Laten we hopen dat deze mentale kracht vele Nederlandse sporters tijdens de Olympische Spelen van 2012 in Londen gegeven is.

Griekenland

Wat is het eerste dat bij je opkomt als je aan Griekenland denkt? De euro en/of de eurocrisis? Zo’n antwoord reken ik goed! Maar voor mijzelf is het antwoord in de eerste plaats: het zeilen in Griekenland. Ik ben net terug van een weekje zeilen in Griekenland met vrouw, kinderen en aanhang en vrienden, in totaal maar liefst twaalf mensen verdeeld over twee boten.

Talloze woorden komen in me op om deze ervaring te beschrijven: mooi, prachtig, gezellig, chaos, zon, baaien, haventjes, vriendelijk, goed gezelschap, rotzooi, veel wind, weinig wind, heerlijk, warm zeewater, enzovoort, enzovoort. Alles is van toepassing. Geen woord teveel.

Mooi zijn de baaien en de vergezichten, prachtig is het heldere blauwe en daar waar het ondieper is, turquoise water. Gezellige havens zijn er met daarin erg vriendelijke mensen. Goed gezelschap geldt voor mijn gezin, aangevuld nu met nieuwe aanhang en de vrinden met wie we al jaren in de vakanties optrekken. Dit keer vierden we ons tien-jarig jubileum. De rotzooi slaat op de rotzooi aan boord. Als je met acht mensen op een boot zit, hoe groot het jacht ook is, levert dat vanaf het eerst moment een enorme troep op. Handdoeken, kleren, spullen, tassen, enzovoort. Alles door elkaar. Gewoon negeren, dan valt het mee.

Wind is er volop: in de ochtend doorgaans windstil, rond het middaguur trekt de wind wat aan, om soms tegen het begin van de avond met een stijve bries (windkracht zes) te eindigen. Daarna wordt het doorgaans rustiger. Ik zeg doorgaans, omdat het in onze week een middag, avond en nacht heel erg hard gewaaid heeft. Uitschieters van zo’n 35 knopen wind, ofwel tegen windkracht negen aan! Geen oog dicht gedaan! Wel spannend.
Ook zijn we een nacht, terwijl we voor anker lagen, de twee boten aan elkaar, door de draaiende wind van de ankers ‘geslagen’. Klinkt wat zwaar, beter is om van ‘krabbende ankers’ te spreken, maar we waren nog maar een meter van de rotsen af! Opnieuw geankerd, middenin de nacht, aarde donker, prachtige sterrenhemel en… wachtlopen!
De laatste keer dat ik in Griekenland was, zo’n dertig jaar geleden, was het een soort ontwikkelingsland, met een groeipad naar EU-lidmaatschap. Nu heeft het zich ontwikkeld tot een bijna echt Europees land, met goed geplaveide straten, schone wc’s en natuurlijk hogere prijzen. Ik was onder de indruk.
Op de eilanden waar ik vertoefde en waar toerisme the name of the game is natuurlijk, was niets van een eurocrisis te merken. Alles leek verhuurd. Als gezegd, de mensen waren vriendelijk en gastvrij.
Enfin, ik ben blij met mijn bezoek aan het land. Ik realiseer me dat het in Athene mogelijk anders is, maar toch, ik heb genoten en ben tevreden!

Vakantiemijmeringen: strand, land en zee

Wat ik zo bijzonder aan het strand vind, is het feit dat je op de grens van land en water bent. Kijk je bijvoorbeeld naar een landkaart, of op een zeekaart, dan zie je water en land aan elkaar grenzen. Op het moment dat je aan zee bent, weet je dus precies waar je zit. Dat is anders niet zo. Je bent bijvoorbeeld ergens op het land, in een stad of op het platteland in de provincie. Zo precies zoals bij de scheiding tussen water en land, kun je niet zeggen waar je zit. Ja, tegenwoordig met een kaartplotter lukt dat heel aardig, dat moet ik erkennen.
Kun je me overigens volgen? Ik heb bij het strand altijd zo’n gevoel gehad van, hier gebeurt het! Dit is de plaats. Althans vanuit de kaart bekeken. Kun je daar iets mee? Niets! Gewoon een vaststelling. Grappig vind ik het wel. Ik weet niet of anderen dat ook vinden, maar wat geeft dat.
Een ander punt is dat ik, bijvoorbeeld zittend aan het strand van Mexico, mij realiseer dat, anders dan bij land, de zee waar ik naar kijk, uiteindelijk met de Noordzee verbonden is. Zonder enige onderbreking zou je over dit water waar  aan kunnen komen op het strand van Scheveningen. En dat terwijl we aan de andere kant van de wereld zitten.
Kun je hier iets mee? Ook niets! Ook gewoon leuk om vast te stellen.
Het zijn zomaar vakantiemijmeringen.

Stephen Covey 3, moeten versus kiezen

Weer eens een keer over het Covey gedachtengoed. We bespraken al eens over overtuigingen en of je daar iets aan kunt doen. Het antwoord was, als je overtuigingen waar zijn, kun je je de vraag stellen of ze in de weg zitten. en als ze inderdaad in de weg zitten, dan is het zinvol er iets aan te doen.

Nu wil ik het over pro-activiteit hebben. Pro-activiteit heeft met kiezen te maken. We hebben een keuze in het leven en dat onderscheidt ons van de dieren. En kiezen, dat doen we voortdurend.
Je zegt bijvoorbeeld tegen jezelf: ik moet nu gaan. Eigenlijk zeg je, ik kies ervoor om te gaan. Ik heb namelijk eerder al besloten dit of dat te gaan doen, ik koosdaarvoor en de consequentie is dan ook dat ik nu moet gaan. Bij het gebruik van moeten hebben we het dus eigenlijk over de consequentie van een eerder besluit.

Lees verder Stephen Covey 3, moeten versus kiezen

Eindexamenuitslag!

We kennen ze in vele varianten: examenuitslagen. Vooral die van het eindexamen. Doet er niet toe welke soort opleiding het is, vwo, havo,vmbo, het blijft een buitengewoon spannende aangelegenheid. Deze maand had ik ook zo’n eindexamenklantje: onze jongste dochter in geslaagd voor haar vwo!
De spanning is zó groot, dat je het je hele even niet meer vergeet. Wat je ook daarna gaat doen, er is geen examen meer dat een grotere impact op jou en je leven heeft, dan het eindexamen. De spanning, de uitslag, de vreugde, of voor sommigen het verdriet en de teleurstelling. En vooral voor de laatste categorie, het trauma dat je overhoudt aan het niet halen van je eindexamen. Iedereen feesten, het mag nu en jij moet een heel jaar ‘wachten’ op de herkansing. In de tussentijd gaan je vroegere vrienden en vriendinnen, klasgenoten, door met hun (nieuwe) leven. Jij gaat terug naar school. Wat ik al zei, het heeft een enorme impact.
Tegenwoordig bellen ze degenen die gezakt zijn. En, om vergissingen te voorkomen, nu ook geslaagden. En dat is maar goed ook. Want je ziet het mis gaan: ze bellen niet, je wacht, je denkt dat je geslaagd bent en gaat naar school om je cijferlijst op te halen. Blijkt, daar aangekomen, dat ze een vergissing hebben begaan, je bent om de een of andere reden niet gebeld. En je teleurstelling is nog groter, dus voegen ze je nog even toe: een vergissing is menselijk hè? Je vergeet het je hele leven niet meer!
Of ze laten iederéén naar school komen, zoals in mijn geval, destijds. We stonden eindeloos lang in de schoolkantine te wachten. Onze ouders, broers en zussen stonden buiten voor de school. De bedoeling was dat klasgenoten die gezakt waren of een her hadden, via de achteruitgang de school zouden verlaten. Dan zouden de gezakten en de aankomende feestgangers niet in elkaars vaarwater hoeven te komen! Daar was over nagedacht!
Na verloop van tijd verscheen de con-rector Bodewitz (eindelijk!) en die haalde er een iemand uit. Ik zie hem nog vertrekken. Albert heette hij. Hij was gezakt. Dat vonden we erg voor hem, tenslotte was hij een klasgenoot. Maar we wisten ook dat wij dus niet gezakt waren, misschien een her of misschien zelfs …. dat wat nog niet genoemd mocht worden!
De con-rector kwam na weer een lange tijd terug en noemde zes namen. Deze klasgenoten hadden een her. De conclusie was snel getrokken. Terwijl de zes begonnen te vertrekken, ook hen zie ik nog gaan, kon het niet anders dan dat de anderen dus waren geslaagd. De con-rector maakte inderdaad een gebaar met zijn hand, zo van, ja ik kan het nu ook niet langer tegenhouden en dus, ondanks dat degenen die een her hadden nog niet zoals de bedoeling was een veilig heenkomen hadden kunnen zoeken, steeg een luid gejuich op. We waren geslaagd! En we stormden naar buiten.
Na de felicitaties van onze families in ontvangst te hebben genomen, volgde meteen, dezelfde middag, de diploma-uitreiking en klaar waren we! Op naar de toekomst.
Heerlijk! Wat een feest. Het was 19 mei 1972.

De haringparty

Vind u dat nou ook? Dat er de laatste jaren zo veel haringparty’s zijn? Je hoorde daar nooit iets over en ineens zijn er talloze. Net als nieuwjaarsrecepties. Overigens is er niks mis mee, hoor. Het is iets nieuws. Vlaggetjesdag in Scheveningen kennen we natuurlijk allemaal en daarvan afgeleid zijn er buiten Scheveningen nu dus ook haringparty’s.
En daar gaat het er behoorlijk heftig aan toe: naast de verse haring, worden er eindeloze hoeveelheden korenwijn geschonken. De conventie schrijft voor dat de korenwijn ijs- en ijskoud moet zijn. Vergelijk het met de Jaegermeister.

Enkele dagen geleden had ik ook zo’n haringparty. In de jachthaven waar ik de boot heb liggen, in Woudsend, in Friesland. Vorig jaar werd dat voor het eerst georganiseerd en toen was het een doorslaand succes, buitengewoon gezellig. De avond eindigde met uitbundig gedans op leuke jaren ’60 en ’70 muziek en allerlei gezellige meezingers. Dus dit jaar werd dat herhaald. Ook nu weer een groot succes.

Op deze manier leer je de andere ligplaatshouders beter kennen. In z’n algemeenheid leef je in elke willekeurige jachthaven enigszins langs elkaar heen en ga je aan elkaar voorbij. Je komt met de auto aan, gooit de trossen los en vaart weg. En je vertrekt bijna meteen als je weer aan het eind van bijvoorbeeld het weekend terug in de haven bent. Dus los van een enkele groet, spreek je elkaar nauwelijks. Er wordt een enkele beleefdheid uitgewisseld, veel verder gaat het in de jachthavens niet. Er is ook nog eens verloop onder de ligplaatshouders, ze komen met hun boten en gaan. Dus er is niet zoveel gelegenheid om elkaar beter te leren kennen, om in elkaar te investeren.

Dat geldt overigens niet voor mijn haven, waar ik met de boot lig. Want in ons geval, hebben we door de jaren heen inmiddels een aantal andere ligplaatshouders best goed leren kennen, evenals de havenmeester en zijn vrouw.

 
De haringparty was dus heel gezellig. Wat ik al zei, je leert je collega-watersporters (nog) beter kennen. We spreken over dezelfde dingen, we spreken als het ware dezelfde ’taal’. Het is de taal van de botenbezitters, in dit geval allemaal zeilers. Je wisselt kennis uit, over de boten en over havens, ankerplaatsen, vakantiebestemmingen, spannende avonturen, het weer en de wind, enzovoort.
We hebben het natuurlijk ook over het EK. Dat was helemaal ‘hot’, dit keer. De volgende dag zou de eerste wedstrijd van het Nederlands Elftal zijn. En ook de euro crisis, daar worden toch ook wel enkele woorden aan gewijd. Maar het hoofdthema wordt toch echt gevormd door de stoere verhalen over het zeilen, de boten, waar we geweest zijn en waar we nog naar toe gaan. Dat is tenslotte wat ons bindt. En tussendoor een haring.
Van mij mogen ze blijven, die haringparty’s.

Het EK

Laat ik ook mijn duit in het zakje doen, als het om het EK gaat. Het is tenslotte een volstrekte hype. Zelf ben ik eigenlijk nog niet hersteld, bij wijze van spreken, van het WK van 2010 en de verloren finale tegen Spanje. Ik had eigenlijk liever gezien dat we vier jaar hadden gewacht en dan weer aan het WK zouden hebben meegedaan. Het WK winnen dat moet naar mijn idee de doelstelling zijn. Eindelijk eens een WK winnen!
Maar zo werkt het niet: Nederland kwalificeert zich netjes voor het EK en dan wordt er gewoon na twee jaar dus, gespeeld. En Nederland staat weer op z’n kop.
In de kranten, op tv, om je heen, zoals op de weg, zie je de oranjegekte op gang komen,  beginnend zo’n vier weken voor de eerste wedstrijd. Ik hoop dan altijd maar voor al die enthousiastelingen, dat we er niet meteen na de poule wedstrijden uit worden gegooid. Al dat werk van het versieren van de huizen de straten, de auto’s, de energie die in de praatprogramma’s tot uiting komt, het zou allemaal voor niets zijn.
Ik ben over het algemeen een optimist, al ik heb door de jaren heen ook teleurstellingen met het Nederlands elftal meegemaakt. Ik blijf optimistisch over ‘onze kansen’. De laatste acht of negen keer kwamen we erg ver in het toernooi, maar als je naar het afgelopen seizoen van de spelers kijkt, lijkt het mij dit keer wel lastig worden.
Andersom geldt overigens ook: een prima seizoen staat niet garant voor succes met het Nederlands Elftal. Neem nou Bergkamp, destijds. Fantastische speler, maar bij een WK of EK bakte hij er maar weinig van. Schoot altijd over of naast of helemaal niet. Behalve die ene keer dan, tegen Argentinië, tijdens de kwart finale in 1998. Wat was dat mooi!


In zijn plaats is nu Van Persie gekomen. Topscorer, speler van het jaar, maar bij Oranje zie je hem nog niet zo heel erg uit de verf komen. Hopelijk komt dat nog, te beginnen met dit toernooi.
Enfin, de gekte dus. Lopend door Scheveningen, zaterdagmiddag, zag ik ook hier sommige straten versierd, zie foto. Echt mooi is het overigens vaak niet: een rommeltje aan vlaggetjes van de huizen naar de een lantaarn paal en terug. Een rotzooitje. Dat geldt niet voor de foto: hier is veel creativiteit betracht!
En tomeloos enthousiast!