Amerika en zijn politieke systeem: impasse

Onlangs was ik op bezoek in Washington DC. Ik heb alle bezienswaardigheden gezien, De White House, het Lincoln Memorial, het Vietnam Monument, Korea, noem maar op. Prachtige gebouwen in een prachtige stad. Werkelijk een prachtige stad.

 

Ook het Capitool kwam aan de beurt. Een enorm gebouw, een soort paleis, boven op een heuvel: Capitol Hill. Goed gepositioneerd, omdat je er als het ware letterlijk tegenop kijkt: tegen het bolwerk waar ‘democratie aan het werk’ is. Met overigens daar weer boven een symbool: Persephoné. Het enige symbool dat de Amerikaanse democratie boven zich duldt: het symbool van de vrijheid!
Niettemin had ik over het Capitool mixed feelings: we weten dat Amerika’s politiek volledig in het moeras zit. De twee partijen – Democraten en Republikeinen in het Congres, de wetgevende macht – zitten muurvast en houden elkaar én de president, de uitvoerende macht, in de houdgreep. Bijna geen enkele wet wordt aangenomen en als het al lukt wordt de wet in sommige staten vervolgens dermate uitgekleed, dat zodoende het oorspronkelijke doel weer teniet wordt gedaan.
De staten hebben die macht, want de staten zijn behoorlijk autonoom. Federale wetgeving, uit Washington dus, dient veelal in de staten door lokale wetgeving te worden geïmplementeerd.
Even terzijde. Wist je dat het Amerikaanse federale model is gebaseerd op de Unie van Utrecht van 1579, waarbij Willem van Oranje een vroege vorm van een federale unie smeedde. Later werd dat De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

 

De impasse in de VS komt voort uit het niet tijdig aanpassen van het democratisch systeem, het niet meegaan met de tijd: toen men begon, ruim tweehonderd jaar geleden en de communicatiemiddelen nog primitief waren, moest men ‘kiesmannen’ kiezen, die vanuit de lokale politiek naar Washington werden gestuurd, om daar een stem uit te brengen. Dat is begrijpelijk omdat men met paard en wagen reisde.

 

Bovendien ontwierp men destijds een systeem met een combinatie van evenredige vertegenwoordiging en een districtenstelsel. Daardoor ontstond een situatie waarbij last en ruggespraak en lokale invloeden de overhand kregen. Net als in de eerder genoemde Republiek der Verenigde Nederlanden.

 

Er werd namelijk een methode gevonden waarbij de autonome staten, groot en klein, op een rechtvaardige manier in Washington werden vertegenwoordigd. Dit werd ingevuld door in het House of Representatives de counties en de districten zodanig vertegenwoordigers te laten kiezen, dat daarmee de grootte van de staat werd gereflecteerd, op basis van inwoneraantallen. In de Senate kreeg iedere staat echter evenveel vertegenwoordigers, namelijk twee.

 

Dat alles is begrijpelijk in de situatie van tweehonderd jaar geleden. Maar vervolgens heeft men het zo gelaten. Men was niet in staat dat te veranderen, het aan te passen aan de veranderende eisen van de moderne tijd.

 

Dus als een wet in het Congres al wordt aangenomen en gegeven dat hij dan geheel door de tegenstanders is uitgekleed, is er veel aan lokale toezeggingen weggegeven. De kostprijs voor een aangenomen wet is dus hoog.

Het dubbele gevoel zit hem dus in het feit dat dit land, met zo’n prachtige democratische geschiedenis, dat zoveel grootse mensen heeft voorgebracht, niet (meer) in staat is zijn verantwoordelijkheid te nemen en stappen tot hervorming te zetten. Zo jammer en ook zo gevaarlijk, omdat het door zijn kracht en invloed enorme effecten sorteert voor andere landen en werelddelen.

Zeilen met de Jet

Er zijn van die momenten dat het leven echt aangenaam is, ondanks alle crises die we om ons heen ondervinden, respectievelijk ons laten aanpraten. Zo hebben we een kleine zeilboot, een ‘valk’. Dit type kleine zeilboot heet Geuzenvalk. En hij, eigenlijk zou je moeten zeggen ‘zij’, heet Jet. We hebben het verder over dé Jet. Want zij is geen persoon, maar een ding.
We zeilen er af en toe mee op de de Friese meren, meer in het bijzonder het Heegermeer en de Fluessen. En dat is echt prettig en leuk.
Het is een heerlijke boot. Je blijft er redelijk droog in, hij buist namelijk niet zoveel, tenzij het hard waait. Dan komt er soms toch echt wel buiswater (spatwater) binnen. Bij een beetje wind gaat hij al gauw hard en schuin. Het zeilen met zo’n Valk is echt watersport. Want je bent dicht bij het water. Je kunt overal varen, hij steekt niet diep. De kiel steekt slechts 80 centimeter Je kunt heerlijk langs het riet scheren of dwars over het meer gaan,. Bij een Noordwesten wind kun je helemaal over het Heegermeer en de Fluessen naar de Galamadammen zeilen, in één ruk. En dan weer terug. Alles bij elkaar heb je daarmee met een redelijk windje in anderhalf uur heen en anderhalf uur terug, een flink eind af gelegd.
Je kunt, als je dat zou willen, er met z’n vieren in slapen, maar dat is echt iets voor jongelui, zij slapen immers onder alle omstandigheden. Alhoewel, ik met zeggen, dat ik best samen met mijn Jolan met z’n tweeën een paar nachtjes op de Jet zou willen doorbrengen. De breedte van de kuip, waarvan je op de bodem slaapt, is van een twijfelaar, dus dat zou wel moeten gaan. Toen ik de leeftijd van zo’n 20 jaar had, sliepen we met z’n vieren in een 16 Kwadraat, een grote BM in de volksmond geheten en die is kleiner dan de Valk. Enfin, lijkt me toch wel erg leuk.
 
De boot is in een oogwenk opgetuigd en afgetuigd. Dat gaat zo snel, dat het geen beletsel vormt om ‘even’ een rondje om het meer te doen. Er hangt een hulpmotortje van drie pk achterop. Heb je niet echt nodig, maar is wel handig. Als ergens door bebouwing of bossages de wind wegvalt, hup motortje aan en je bent er weer doorheen,
Wat ook leuk is, is varen met de Roos. Dat is een onderwerp voor een volgende blog.

De pont over het IJ

Als wij naar Amsterdam gaan, parkeren we de auto gratis in Amsterdam Noord. Met de veerpont gaan we vervolgens over het IJ naar het centrum.

 
Wat opvalt is dat de veerpont in een tomeloze behoefte voorziet. Overdag zijn ze behoorlijk vol met mensen, terwijl de ponten toch om de zes minuten gaan. Althans die van en naar Buikersloot. De andere veerboten gaan iets verder weg en varen daarom wat minder frequent, maar nog steeds heel vaak. Van en naar het IJ-Plein, elk kwartier, van en naar de voormalige NSDM werf, elk half uur.
 
 
Gezien deze onverzadigbare behoefte – het overzetten gaat immers 24/7 door, zou je verwachten dat er aan de Noord-zijde van het IJ, ook behoefte is aan parkeergelegenheid. Die behoefte is er, inderdaad, maar de parkeergelegenheid is er niet. Ja, maximaal twee uur kun je er met je auto terecht. Er is vanaf de veerpont een als maar groeiend ‘blauwe zone’ gebied, dus langer dan twee uur mag je er niet staan. Ook voor het nabijgelegen gloednieuwe filmmuseum “Eye’ is slechts beperkt – betaalde – parkeergelegenheid beschikbaar.
En dat probeer je nou juist te vermijden! De wijk bij de pont is dus min of meer autovrij en mensen die voor langere tijd naar Amsterdam komen, zoals wij, moeten dus buiten de blauwe zone zien te parkeren. Dat doen wij dan ook maar. Wij zetten de auto doorgaans ruim een kwartier lopen van de pont. Daarom doe ik dat ook vaak op de fiets. Ik laad eerst in de stad de spullen uit, ik laad daarna de fiets in en rijd naar een afgelegen plek in Noord, net buiten de blauwe zone. Daar parkeer ik de auto. Vervolgens fiets ik weer terug, gebruik makend van de pont. Dat kost alles bij elkaar een half uurtje.
Maar hoe doen al die andere mensen dat? De binnenstad is waanzinnig duur: 
5 per uur – het hoogste tarief ter wereld – dat ga je niet zo maar betalen, voor langere tijd.
Waarom is er niet een gigantische parkeergarage, waar je bijvoorbeeld een euro per uur betaalt. Met een maximum van zeg twaalf euro per dag. Een soort ‘lang parkeren’, zoals op Schiphol? Je trekt veel meer mensen/toeristen naar de stad. Dat is toch wat men wil?
Misschien dat de Noord-Zuidlijn uitsluitsel biedt.

Het kleine denken

Verbaas jij je ook wel eens over sommige dingen. Neem nou straatbordjes. Of nummers op de huizen. Ik bedoel, de grootte ervan.
Ik liep laatst door een wijk in Den Haag. Ik liep op een grote, brede straat, met een brede middenberm en daarop een trambaan. Het straatbordje is zo klein, dat je het bijna niet kunt vinden. Het is net zo klein als de bordjes in een smal bestrate nieuwbouwwijk, een ‘woonerf’. Voor je het weet raas je er langs. Ik heb er een voorbeeld van: zie de foto van een straatbordje uit Rotterdam, op een drukke invalsweg. Kun je het zien? Een piepklein blauw straatbordje.

Maar ook de nummers op de flatgebouwen zijn piepklein. Hoe kun je dat nou lezen, terwijl je zo’n 30 á 40 kilometer per uur rijdt. Ook daar heb ik een foto van. Vanaf het voetpad, dus dichtbij, genomen.
 
In Amerika heb je grote borden die dwars op de rijrichting staan, waar je dus niet om heen kunt. Maar ja, in Amerika is alles gericht op de automobilist. De borden en nummers moeten dus wel groot zijn, want je moet ze in een flits kunnen zien, zonder jezelf en het verkeer in gevaar te brengen. En ze denken groot! Dat helpt ook.


In Nederland is veel van die zaken nog gericht op paard en wagen. We zijn stil blijven staan. We hebben ons niet aangepast. We zijn (nog steeds) niet op reizigers uit onbekende streken gericht. Slechts op het naburige dorp!  Je ziet het ook aan de borden langs de snelweg:
Als je in Duitsland, Frankrijk of Spanje over de snelwegen rijdt, worden sommige grote steden al honderden kilometers van te voren aangegeven. Berlijn, München, Parijs, Bordeaux, Barcelona. Dan weet je ongeveer waar je heen moet. Als je van de Afsluitdijk komt en je rijdt naar Amsterdam, dan je zie geen bord Den Haag, Rotterdam of Utrecht (Eindhoven of Maastricht al helemaal niet). De borden Den Haag of Rotterdam zie je pas twee kilometer voordat je bij Amsterdam bent. Op het laatste bord vlak voor dat je ring oprijdt staat er op het bord dat vier rijstroken beslaat: ‘Amsterdam 2′. In Utrecht is ook zo’n situatie. op de A28. Zou je als reiziger niet precies de weg weten, dan ontstaat de indruk alsof je op het punt staat het centrum van Amsterdam of Utrecht binnen te rijden. Daarna moet je maar weer verder zien.
Het is een vorm van ‘klein denken’ van ons Nederlanders.

Binnenkort koning

Onlangs zag ook ik het interview met de aanstaande koning, Willem-Alexander. Prachtig interview. Wat is die jongen gegroeid! Zelfverzekerd, welbespraakt, genuanceerd, open, eigentijds, volwassen, werkelijk heel goed en mooi om te zien. Humor, ernst, emotie het zat er allemaal in. Er is inmiddels veel over geschreven en gezegd. Hier is mijn bijdrage.
Ik geef een paar voorbeelden, niet uitputtend, van de dingen die me te binnen schieten:
Sterk vond ik de wijze waarop hij omging met de vraag over het ceremonieel koningschap. Hij leert ons duidelijk hoe dat – ook grondwettelijk – is geregeld. Hij stelt klip en klaar het parlement boven zich en zal, ook via die instelling, met z’n tijd meegaan.
De duobaan kwam langs. Prima zoals hij zich daarover uitliet. Grondwettelijk is er de koning, dat kan een man of een vrouw zijn. Ik zeg het in m’n eigen woorden. Dat betekent dus dat als de grondwettelijke functie ‘koning’ wordt ingenomen door een man, zijn vrouw koningin kan worden genoemd. Is de koning een vrouw, dan kan de man niet anders dan prins-gemaal zijn.
Ook het drama rondom Prins Friso, de afwezigheid van de vader van prinses Máxima, hoe het ouderschap tegelijkertijd in te vullen, de inhoudelijke kant van het koningschap, kwam langs. Het zijn allemaal zaken die besproken zijn en die antwoorden hebben opgeleverd, waar we wat aan hebben.
 
Ook besprak hij in alle openheid en gaf hij aan, fouten te hebben gemaakt, daarvan te hebben geleerd en – ook belangrijk – nog in de toekomst fouten te zullen maken. Dat hoort erbij en is niet erg, mits ervan geleerd wordt en de consequenties goed worden – mijn woorden – gemanaged.
Het minst kwam de vraag over zijn beloning ervan af. Hij gaf aanvankelijk zoals hij zei, een formeel antwoord, had het vervolgens over bezuiniging en dus ontslag van een deel van de hofhouding. Wat hij er aan had kunnen toevoegen, is dat het niet alleen een salaris is dat hij ontvangt, een salaris waar – typisch Nederlands – men jaloers op reageert, maar dat het inkomsten zijn voor het bedrijf dat hij in feite runt. Een bedrijf dat bestaat om een symbool te vormen, een bedrijf ten behoeve van de continuïteit en stabiliteit van Nederland.
Samenvattend: veel respect en veel vertrouwen, dat zijn wat mij betreft de kernwoorden.
Ik wens hem en haar trouwens ook, heel veel succes!

De Amerikaanse highway

In Amerika heb je een systeem van wegen, de Interstate highways, die in de meeste gevallen ook de staten met elkaar verbindt. Al in de jaren vijftig gebouwd.
Rond de steden worden deze snelwegen vervolgens aangevuld met expressways, parkways, freeways, grote snelwegen. Wat wij denken dat een Amerikaanse highway is, is vergeleken met de exressway of de parkway eigenlijk een provinciale of gemeentelijke weg. De lokale highway is namelijk een weg vol met stoplichten maar met wel tenminste twee of drie en soms vier rijstroken. De stoplichten zijn goed op elkaar ingesteld. Dat wil zeggen, als het licht op groen springt, kun je een aantal lichten na elkaar passeren. Pas na een paar minuten springen de lichten weer op rood. Je bent dan een flink stuk opgeschoten.
Voorts zijn er overal op- en afritten, zowel naar links als naar rechts. Afritten naar winkels en winkelcentra, shopping malls, restaurants, drive thru’s, soms eindeloos achter elkaar. McDonald’s, Burger King en allerlei lokale fast food restaurants, Denny’s, Wendy’s, maar ook Charley’s Stakehouse, Red Lobster, de Lobster Pot, het Japanse Kobe, enzovoort. Ziet er altijd wel gezellig uit, overigens, vooral ’s avonds, als alles verlicht is.
Een volgend voordeel van de highway met de vele winkels en restaurants ernaast is, dat al die verschillende zaken door subwegen met elkaar verbonden zijn. Mocht je te laat afslaan, geen nood, ‘binnendoor’ ben je zo weer ter bestemder plaatse.
De expressway en de Interstate highway  is meer vergelijkbaar met onze snelweg: ze gaan door weilanden, door bossen of overal overheen.  En hier en daar een tankstation, met daar weer een wereld van restaurants en natuurlijk, Starbucks er omheen.
Wat het verkeer rustig maakt komt door wat wordt genoemd: lane keeping. Je rijdt in je strook en daar blijf je. Je mag links én rechts inhalen. Hinderlijk links rijden – in Nederland wegirritatie nummer één – bestaat daar dan ook niet, net zo min als – nummer twee – bumperkleven.  Dat is eenvoudigweg niet nodig. Je gaat de auto’s gewoon voorbij aan de kant die jij kiest.
 
Wat ik ook zo kan waarderen is dat de rijrichting overal staat aangegeven. Bijvoorbeeld US highway 192 North. Of, de andere kant op: South. En in de auto staat aangegeven (bij moderne auto’s in de spiegel) of je west of oost, noord of zuid rijdt, of daartussen in, bijvoorbeeld zuidoost. Je weet in grote lijnen waar je heen gaat, bij twijfel ga je de kant op waar je reisdoel ligt. In Nederland staan op de groene hectometerpalen langs de snelweg, Li en Re, wat staat voor links en rechts. Het kan gebeuren dat je naar het noorden rijdt op bijvoorbeeld de A4. Staat er op zo’n hectometer paal ‘Li’. Dan klopt dat niet met je gevoel. Het voelt namelijk als rechts. Je moet nadenken, terwijl noord of zuid, logischer zou zijn. 
Bij het uitdelen van bonnen voor verkeersovertredingen snappen ze maar al te goed: laatst kreeg ik een bon met daarop een paar kilometer te hard rijden op de A4 West!

Mijn vader

Binnenkort wordt ik 60! Kijk, dat is nog eens een leeftijd. Ik kan er ook nog niet helemaal goed bij, het klinkt zo oud en zo wijs. Erg druk maak ik me er overigens niet om.
Wel over iets anders rondom mijn zestigste verjaardag. Want wat is het geval?


Het zorgt ervoor dat ik erg bezig ben met mijn overleden vader. Hij overleed namelijk toen hij 60 was. Zo’n drie maanden na zijn verjaardag. Hij was vanaf z’n 58ste ernstig ziek. Ongeneeslijk. Hij lag eindeloos lang in het ziekenhuis. In Den Haag. Ik studeerde in Leiden en reed twee keer per week naar hem toe om hem te bezoeken.
Op een gegeven moment ging het ineens weer beter. Hij kwam thuis. Hij reed weer auto, ging naar van alles toe. De ziekte leek (toch nog) overwonnen. En dat was precies rond z’n zestigste verjaardag. Hij gaf zelfs een verjaardagsborrel. Ik zie hem nog staan. Hij stond in de woonkamer, met z’n rug naar de haard en hield een korte toespraak. Hij wilde iedereen die zo goed voor hem had gezorgd, bedanken, de afgelopen jaren, de mensen die op bezoek waren geweest, enzovoort. Ineens werd het hem teveel. Moest het wegslikken. De rillingen liepen me over de rug.

Maar we waren blij en opgetogen. Alles ging weer goed. Hij zou met vervroegd pensioen gaan, dingen ondernemen, dingen afronden. En ineens lag hij weer in het ziekenhuis, dit keer in Amsterdam. Dus ging ik ook daarnaar toe. Waar het nu vooral om ging was pijnbestrijding. Het ging bergafwaarts. Hij werd steeds magerder, had veel pijn. Kerst kwam eraan, de jaarwisseling.
Ik zou begin januari op de wintersport gaan. Bij het afscheid op Nieuwjaarsdag, zei hij mij nog: ‘ik weet niet of ik je nog zie’. Ik zei: ‘vast wel, daar ben ik van overtuigd’. Twee dagen later, op 3 januari, is hij overleden. De manier waarop dat is gegaan, is een apart verhaal. Ik weet niet of ik er aan toe ben dat aan mijn blog prijs te geven.
Hoe het ook zij, ik vraag me vaak af, de laatste jaren, toen mijn vader zo oud was als ik nu, wat deed hij toen. Toen hij 53 was, deed hij dit of dat? Of 54, enzovoort. Of een bepaalde herinnering die me ineens te binnen schiet. Ik denk dan, hij moet zo of zo oud geweest zijn. Dat is altijd zo doorgegaan. Vaak heeft het met onze gemeenschappelijke passie te maken: zeilen.
 
Maar binnenkort kan dat niet meer, dan heb ik hem voor de tweede maal overleefd. Het stemt me niet meer verdrietig, daarvoor is het te lang geleden, al 35 jaar. Maar het zet me wel steeds aan het denken….

De jaren ’70: na de revolutie

De jaren ’70 waren voor mij een verwarrende tijd. Ik voelde me tussen tafellaken en servet. Ik had net iets te jong de revolutie van de jaren zestig, de omwenteling van bijna alles, aanschouwd. Langs de zijlijn keek ik toe. Het waren de jongens die twee, drie klassen hoger zaten, die stakingen organiseerden, hun haar lieten groeien, baarden lieten staan (mocht allemaal niet) en opruiende stukken in de schoolkrant plaatsten. Om maar te zwijgen van de studenten. Dat was helemaal een generatie verder: ik was nog net geen zestien toen de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam plaats vond (mei 1969).
Toen ik zelf als student die leeftijd had, waren de harde kanten er al weer helemaal af. De democratisering van universiteiten had gestalte gekregen. Er werd landelijk nog wel eens gestaakt (bijvoorbeeld tegen het optrekken van het collegegeld naar duizend gulden – 1972), maar van een revolutie was al lang geen sprake meer.
 
Wat overbleef was onzekerheid. We waren – zo voelde ik dat – in een gat gevallen. Veel waar tegen aangeschopt was, was met succes bestreden en verdwenen of vernietigd. Veel was gerealiseerd. Lang haar, baarden en andere uitingen van verzet onder de jeugd, waren gemeengoed geworden. Ook in het leger was dat geaccepteerd. Zo werd ook daar lang haar geaccepteerd en werd zelfs de groetplicht afgeschaft.
Maar er was niet altijd iets voor in de plaats gekomen. Als student, zeker in het begin, voelde ik dat gemis. Veel was onzeker: wat waren de regels, waar kon je op bouwen en waarop niet? Religie was uit, links was in, ja beter nog was het communist te zijn. Als je dat was, hoorde je er helemaal bij.
Men vond wel dat ze er in de Sovjet Unie een potje van maakten en ja in de DDR ook, maar de Chinezen, dat was zoals het moest zijn. Ja, zei ik maar, om er vanaf te zijn. Gevoelsmatig klopte het niet.
 
We hadden de seksuele revolutie gehad, min of meer, maar we wisten niet goed wat er nu moest gebeuren. Angst was er voor zwangerschappen. De pil was nog geen gemeengoed. Er was weinig over te vinden of te lezen, want het was allemaal nieuw. En als er al iets viel te lezen, dan werd het omfloerst beschreven, geen klare taal.
Ondernemen was uit, winst maken vies, we werden geacht te demonstreren, tegen van alles en nog wat. De oorlog in Vietnam bijvoorbeeld. President Nixon moest aftreden, ook iets dat nog nooit gebeurd was. Carrière maken was iets dat je niet besprak: het woord ‘carrière’ was foute boel.
Later was ik wel eens jaloers op latere generaties studenten, die zoveel meer zekerheden hadden. De verwarring was voorbij, er was een nieuwe orde ontstaan, daar kom men zich aan vastklampen. Hippies waren op hun retour, anti autoritair gedrag was niet meer nodig, sterker, men wilde niet meer: een serie op tv volgen, dat kreeg prioriteit! 
Ondernemen bleek toch wel nuttig, winst maken eveneens en er deel van uitmaken  – carrière maken dus –  was niet langer fout. Het communisme was een mislukt project en socialisme – inmiddels omgevormd tot ‘sociaal democratie’ – had zo goed als alle doelstellingen bereikt. 
Het is dus allemaal op zijn plaats gevallen.

De Librije Experience: verwonderpunten

Ruim een jaar geleden was ik te gast bij de Librije in Zwolle. Een beroemd restaurant en een van de twee restaurants in Nederland dat drie sterren heeft.
Mijn bezoek bestond uit een aantal verwonderpunten: om te beginnen kwam ik rond een uur of zes aan, helemaal uit Den Haag, bijtijds – om vier uur – vertrokken. We zouden om zeven uur met mijn gezelschap aan tafel gaan en je weet niet wat je allemaal onderweg tegenkomt.
Voor de deur aangekomen, bleek er geen parkeergelegenheid te zijn. Verwonderpunt één! Een restaurant van een dergelijke standing zou toch de mensen die met de auto komen, een parkeerplaats moeten bieden. Ik belde ze op en vroeg ze waar ik de auto kon parkeren. Dat kon zo’n vijfhonderd meter verderop, in een parkeergarage naast Librije’s Hotel. Goed, daar zou ik heen rijden. Daarna hadden ze toch wel aan de bar een plaatsje voor me, waar ik even kon wachten op mijn gezelschap, totdat we compleet waren?
Nee dat kon niet, men ging pas om zeven uur open. Dan was ik uiteraard van harte welkom. Tweede verwonderpunt: in het verlengde van het eerste verwonderpunt, kun je verwachten dat mensen van heinde en verre komen, te vroeg zijn en binnen even willen wachten, met een drankje. Ik zei hen dat en ik moet zeggen, daar hadden ze wel een oplossing voor: ze stelden voor dat ik even zou wachten in de tuin van Librije’s hotel.
In de tuin? Het was december en het stormde. Toch maar even gaan kijken. En toen gebeurde het: ik werd door een man in een rokkostuum ontvangen. Hij stelde zich voor als Hans en kondigde aan mijn butler voor de avond te zijn! Ik vertelde hem dat ik alleen maar even langskwam om te wachten en dat ik na één drankje naar het restaurant wilde. Geen enkel probleem, zei hij. U kunt comfortabel in de tuin gaan zitten, die hij mij inmiddels liet zien. De tuin was geheel overdekt en er stonden grote kachels het geheel behaaglijk warm te stoken. Hij voegde er aan toe dat hij mij persoonlijk met de auto bij het restaurant zou afzetten, ik hoefde maar een kik te geven. In de tussentijd kreeg ik een glas rode wijn, van uitstekende kwaliteit en de code voor het draadloos internet. Ik was ondersteboven van deze service. Verwonderpunt drie!
 
Toen het zeven uur was, reed hij een gloednieuwe Mercedes voor, waarin ik achterin plaats nam en waar hij mij als beloofd mee naar het restaurant reed. De wijn hoefde ik niet te betalen. Ik heb het gecheckt: het glas werd ook niet bij de rekening van het restaurant opgeteld.
Een vierde en vijfde verwonderpunt was het feit dat we met z’n zessen aan een veel te klein tafeltje werden gezet. We konden ons nauwelijks bewegen. Desgevraagd werden we wel echter snel verkast naar een ruimte voor ons gezelschap alleen. En vanaf dat moment verliep alles als een wonder: het ene na het andere overheerlijke, sublieme gerecht werd op de meest prachtig vormgegeven schalen, schotels en borden geserveerd. Het was een belévenis. Dus afgezien van de verwonderpunten die op een bijzondere manier werden opgelost, deed het geheel zijn eer aan. 
 
En de prijs? Ook dat was een verwonderpunt!