Eilandgevoel (deel 2 van 3): Vlieland
Het eilandgevoel heb ik al jaren. Ik schreef daar eerder ook al over (zie de blog over het Eilandgevoel, deel 1 van 3). Dat begon al toen ik zeven jaar oud was.Ik ging samen met mijn twee jaar oudere zus, Marianne, op schoolkamp naar Vlieland. Met de bus over de Afsluitdijk naar Harlingen en vanaf daar met de veerboot naar het eiland. Zowel de busreis, de route over de Afsluitdijk, als de bootreis, staan mij nog helder voor de geest. Want ik vond het machtig spannend, de lange reis, voor het eerst zonder ouders, geen idee waar we heen zouden gaan. Er waren ook minder leuke kanten aan. Om dezelfde reden: voor het eerst zonder ouders. Ik was ook nog eens de jongste van het gezelschap. En zoals bekend, een jaar verschil op die leeftijd, voelt als een mensenleven.
.jpg)
De Afsluitdijk was toen nog een gewoon dijkje met een smalle weg met van die klinkers erop, waar aan beide zijden de zee te zien was. Dat maakte het wel bijzonder: een weggetje met aan twee kanten de eindeloze, uitgestrekte zee. Ik had dat nog niet eerder meegemaakt. Ook was ik nog niet eerder op een schip geweest. Nu, na al die jaren, realiseer ik me dat het een hele kleine boot moet zijn geweest. Zie het fotootje. We voeren lange tijd gelijk op met de veerboot naar Terschelling. Op die veerboot stonden auto’s. Ik was diep onder de indruk: auto’s op een schip!

Van Vlieland zelf herinner ik me slechts een paar dingen. Het pittoreske dorpje met z’n gezellige bomen en winkeltjes.Ook het eindeloze strand.
Ook herinner ik me dat er zegge en schrijve slechts één auto op Vlieland stond. Een hele oude Volkswagen kever. Met zo’n heel klein gesplitst ovaal achteruitje. Hij stond naast de snackbar, waar ik voor het eerst van mijn leven zelf een zak frites van mijn zakgeld kocht: het kostte een kwartje. Doorstroming verkeer: duurzaam
Valt u dat nou ook op? De stoplichten zitten altijd tegen. Er zijn kruispunten waar je voor staat te wachten en vanuit de andere richting blijven de andere auto’s maar doorrijden. Er komt geen eind aan, zo lijkt het. En als je zelf eens vanuit die richting komt aanrijden, springt het licht binnen de kortste keren op rood.
Of, als je dan eindelijk weer rijdt, moet je binnen de kortste keren verderop weer opnieuw stoppen? De lichten zijn niet op elkaar afgesteld. En dat zou eigenlijk wel moeten. Want de hoeveelheid energie die opgebracht moet worden tijdens het optrekken, stoppen en weer opnieuw optrekken, met al die auto’s, is enorm.
Want als ik op de elektronische energiemeter van mijn auto kijk, dan blijkt dat hij bij een rustig gangetje van zeg 100 km per uur, zo’n één op twaalf rijdt, dat wordt uitgedrukt als acht en een halve liter op 100 km: 8,5l/100km. Bij het weer optrekken van de auto, bij een stoplicht dat op groen springt, klimt dit op naar 45l/100km. Dus dan rijdt de auto even bijna één op twee! Daarna zakt dat via bijvoorbeeld 30l/100km naar normale waarden. Zouden de stoplichten beter op elkaar worden afgestemd, dan zou ik langer één op twaalf kunnen rijden en daarmee energie sparen. Minder belastend voor het milieu. Duurzaam dus. Staat hoog in het vaandel van menig gemeenteraadslid. Behalve niet op elkaar afgestemde stoplichten, het opheffen van parkeerplaatsen, krijgen voetgangers en fietsers op de geváárlijkste plaatsen voorrang (op rotondes bijvoorbeeld), om maar te zwijgen van trams en bussen. Enorme stukken weg liggen er stil er verlaten bij, de trambaan, met ernaast een hele lange file op de enkele baan ernaast. En het staat allemaal te ronken, te vervuilen, door alsmaar te stoppen en op te trekken en dus energie te verspillen. Zeer milieubelastend. Over duurzaamheid en leefbaarheid gesproken!
De voetganger en de fietser hoeft niet altijd en eenzijdig voorrang te hebben. De stoplichten zijn daar nu op ingesteld, maar iedereen weet dat er geen voetganger of fietser is die zich daar iets van aantrekt. Licht op rood of groen, óf ze zien het niet eens, óf ze kijken of ze door kunnen rijden of lopen. Ze houden zich werkelijk nergens aan. Niet dat dat heel erg is. Het is wel erg als er een auto op een zebra afrijdt en de voetganger vervolgens tergend langzaam over de zebra lopen, zo van, dit is míjn recht, zie jij dat niet, jij vervuilende en energieverspillende automobilist!Het eilandgevoel (1 van 3): wat is dat?
Ken je het eilandgevoel? Het eilandgevoel staat voor het bijzondere gevoel dat bijna iedere Nederlander overkomt op het moment dat hij of zij op een van de Waddeneilanden vaste voet aan wal zet. Het minst sterk is dit overigens het op Texel, want Texel is eigenlijk een extra stukje Noord-Holland. Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog daarentegen genereren dit gevoel onmiskenbaar.
Wat maakt deze eilanden zo bijzonder? Wat is dit voor een gevoel? Is het omdat je er met een veerboot naar toe vaart? Het feit dus dat je op een eiland bent en er niet van af kunt? Of de geringe omvang van de eilanden? De mensen, de toeristen, het koelere en drogere weer, de duinen, de zeehonden? Of het onvermijdelijke vakantiegevoel? De gezellige, knusse, dorpjes? De markante vuurtorens, zoals de Vuurduin op Vlieland of de eeuwenoude Brandaris op Terschelling? Of al die schepen die voor de kust op bijvoorbeeld het Stortemelk zijn vergaan en waarbij de spannende reddingsverhalen en het jutten naderhand de overhand kregen?
Laten we eens naar Vlieland kijken. En neem nou eens de rol van de veerboot die van en naar dat eiland vaart. Die neemt een centrale plaats in. Als de boot aankomt, langs vaart of vertrekt – je hoort dat van verre want hij toetert – blijven de mensen die hem kunnen zien, even staan. Allemaal kijken ze. Het is een event. Iedereen hoort de scheepshoorn en zegt of denkt: de boot! Het is net als bij mensen die naar een opstijgende op neerdalende helikopter kijken. Altijd bijzonder, altijd weer spannend. Op Vlieland komt de veerboot slechts drie keer op een dag, in de winter zelfs maar eenmaal.Ik denk dat iedere geregelde eilandbezoeker zijn eigen ranking voor de Waddeneilanden maakt. In mijn geval staat Vlieland bovenaan. Het heeft een plekje in mijn hart. Maar snel daar achteraan komt Terschelling, op de tweede plaats.
Dienstplicht
Ik werd ’s ochtends afgezet door mijn ouders in Amersfoort, bij de Prins Willem III kazerne. Ik was pas twintig jaar oud.
Ik werd ingedeeld bij de School Reserve Officieren Cavalerie, de SROC, een traditioneel bolwerk van aankomende reserve officieren, waar we vanaf het begin enorm trots op waren. Er ging van die school werkelijk iets uit, zo van hier zetelt de elite, hier willen we bij horen. Ik heb er een fantastische tijd gehad, ruim vijf maanden lang. Prins Friso
Wat een treurig bericht: Prins Friso is overleden. Het lag voor de hand, toch komt het onverwachts. We leefden allemaal mee met het ski-ongeluk en de periode daarna, natuurlijk. Tegelijkertijd zijn we er ook niet zo mee bezig. Het leven van alledag slorpt ons op.De boog van de brug (en hoe elke afdeling een bijdrage levert)
Bij de Optiebeurs bijvoorbeeld, deelden we soms een extra honderd gulden aan het personeel uit (een ‘Snip’), een beloning of een bonus, omdat er een record was gebroken of er was iets extra’s gedaan (extra inzet door enorme omzetten als gevolg van heftige koersbewegingen). Steevast riepen de mensen die de handel begeleidden, de zogeheten Order Book Officials, dat ‘die’ mensen van de financiële administratie daar toch zeker geen recht op hadden, op zo’n bonus, want zij hadden immers niets extra’s hoeven te doen. Zij waren het en zij alleen, die hadden bijgedragen aan het behalen van het succes!
De dialoog geeft aan, dat als het om leiderschap en organisaties gaat, alle afdelingen belangrijk zijn en wel éven belangrijk. Allemaal doen ze er toe. Zou er een afdeling niet zijn, ontbreken, dan stort het organisatie bouwwerk – na verloop van tijd – in. Alle afdelingen tezamen, met de mensen daarin, zijn de stenen die als het ware de boog van de brug vormen. Op de boog rust de brug. En de stenen vormen de boog. Elke steen telt dus. Er is er niet een belangrijker dan de andere.
Klokkenluider
Je leest de laatste tijd veel over Edward Snowden. Hij is een klokkenluider die bekend maakte dat Amerikaanse instanties, zoals de CIA en NSA ons burgers, wereldwijd, bekijken, volgen en talloze data verzamelen. Waar naar hun oordeel nodig.
Ook zou er gespioneerd worden. Deze instanties doen dat om op die manier terrorisme op te sporen. Ik las ergens dat men aan de ruwe data die men op deze manier bemachtigt, eigenlijk nog niet zo veel heeft. Het gaat veel meer om het in kaart brengen van netwerken. Als er vervolgens iets verdachts plaatsvindt, kan men onmiddellijk over het relevante netwerk beschikken.
De politici, aangewakkerd door de rellerigheid van journalisten, schreeuwen moord en brand. Neem NOS nieuwslezer, Rob Trip. Alleen al de wijze waarop hij het nieuws voorleest. Hij doet dat op zo’n manier, alsof alles waar hij het over heeft, potentieel een rel zou kunnen opleveren. Daar zitten we toch niet op de wachten?
Het antwoord van de politici en de instanties die onder vuur liggen, zou heel eenvoudig kunnen zijn: wat wilt u? Een veiliger wereld met enige inperking van de privacy of een onveiliger, maar waar we ons exact aan de privacyregels houden. Minimum regels zullen er natuurlijk moeten zijn. Dat spreekt vanzelf. Waar nodig zelfs verankerd in de Grondwet. Maar het is als met een ambulance: als de nood aan de man is, laat iedereen hem door, hij mag zelfs door rood rijden. En iedereen gaat opzij. Er is immers een hoger doel: er moeten levens gered worden!Dat geldt ook voor het opsporen van terroristen en andere slechterikken.
De Nieuwe Productiemiddelen

Honderden jaren gingen we te voet en te paard over de weg. Per schip bewogen we ons voort met behulp van wind en zeilen. Vliegen bestond niet. Het zijn de uitvindingen van de 19e eeuw die ons dit hebben gebracht. Met de uitvinding van de motor kwam de communicatie. Communicatie in de zin van verbinden, bewegen, reizen, van ontsluiten. De motor en zijn toepassingen – in auto’s, schepen en later in vliegtuigen – ontsloten zo goed als alles. Dorpen, provincies, verre landen, ga zo maar door.
Met de introductie van de televisie en later de computer, werd het communicatie tijdperk ingehaald door wat ik het informatie tijdperk noem. Daar zitten we nu middenin. Het was eind vorige eeuw een kwestie van wachten op de koppeling van de verschillende uitvindingen.
Deze koppeling maakte het uiteindelijk mogelijk dat als ik iets wil weten over bijvoorbeeld de farao’s ik onmiddellijk toegang kan krijgen tot het desbetreffende museum in Egypte, of het museum waar de beste kennis daarover is te vinden. Ik kan me virtueel laten rondleiden en, als ik dat zou willen, zou ik ook de museum directeur te spreken kunnen vragen (en krijgen). In beeld en geluid, ongeacht waar ik zelf ben op dat moment. Door deze ontwikkelingen zijn ze ingehaald, zo niet achterhaald. Er zijn nu drie nieuwe of aanvullende productiemiddelen:
Data, informatie en kennis.Dat is nieuw en dus even wennen. Het is van grote betekenis. Een geeft een heel andere kijk op bijvoorbeeld de factor arbeid. Het Nieuwe Werken is er bijvoorbeeld een gevolg van.










