Tagarchief: Platbodem

Een ‘near miss’ (6)

Ook nu weer een ‘near miss’. Het is de zesde in een reeks. Ook nu weer over een avontuur met mijn vader en de boot, een gaffel getuigde Scheldeschouw van negen meter. Het was 1967, we waren op de terugweg van onze zomervakantie met de boot naar de Duitse Wadden. We hadden het tot Norderney gebracht. En weer terug. 

‘Binnendoor’

Lees verder Een ‘near miss’ (6)

Eilandgevoel (deel 3 van 3): Avonturen

Al twee eerdere bloggen schreef ik over het eilandgevoel (zie de blog over het Eilandgevoel, deel 1 en 2 van 3). Het is echt iets bijzonders.
De vorige bloggen over dit onderwerp gingen over het eilandgevoel zelf en wat ik als kind op Vlieland had meegemaakt. Nu gaat het over de avonturen die ik er beleefde, vanuit de watersport en vooral op en rondom Vlieland.
Zo kwam ik met mijn vader, mijn oudere zus, Marianne en onze zeilboot vanuit Terschelling naar Vlieland gezeild en lagen er vervolgens enkele dagen verwaaid. Mijn moeder en jongere zus, Dorine, waren op Terschelling achtergebleven. Door de harde wind konden we niet meer terug. We hadden geen enkel contact meer. Dagenlang zou dat zo blijven. Het was 1966.
Jaren later beleefde ik vakantie op Vlieland met mijn eigen jonge gezin. We verbleven in het toen nog rustieke en romantische oorspronkelijke Strandhotel, inmiddels een modern conferentieoord. Het autovrije Vlieland is immers ideaal voor kinderen. Het was 1989.
Uiteindelijk kwam ik er met mijn eigen boot, een platbodem, zeer geschikt voor de Waddenzee. We beleefden door de jaren heen het ene na het andere spannende avontuur, zoals met harde wind niet de haven in kunnen, omdat hij vol was. Er was een ketting voor de ingang gespannen. We werden gedwongen op de rede van Oost-Vlieland aan lagerwal voor anker te gaan: geen pretje!
Of, toen we weer eens op de rede van Vlieland drooggevallen lagen, de wind opstak en, nadat het water was teruggekeerd, het anker begon te krabben en we midden in de nacht alsnog de haven moesten opzoeken om te vermijden dat we tegen de dijk zouden worden geslagen. De kinderen zaten met angstige gezichtjes in de kajuit. We hoorden de een vragen “zinken we?” “Nee”, zei een ander, “we zitten al op de bodem!”
Uren later, veilig in de haven langszij een visserschip, vierden we met een glaasje Schippersbitter om vier uur ’s nachts de goede afloop. Het was 2002.
En wat te denken van die keer dat we midden in de haveningang, bekend om z’n sterke stroming, een stootkussen verloren. Beschamend! Het stootkussen wel opgepikt natuurlijk.
Zo kan ik nog wel even doorgaan. Bijvoorbeeld, dat we bij vertrek uit de haven een kind bleken te zijn vergeten dat nog op de kade stond. Hij bleek ‘nog even naar de wc te zijn gegaan’! Het was 2005.

Skûtsjes Silen


Iedereen in Nederland heeft wel eens van het Skûtsjes Silen gehoord. Het zijn zeilwedstrijden met oude kleine vrachtschepen, die jaarlijks in de zomer tegen elkaar wedstrijdzeilen op de Friese meren.

 

Het stamt af van de tijden dat er nog geen gemotoriseerde schepen waren. Er werd toen ook al tegen elkaar gevaren, maar het was bittere, zakelijke ernst: wie het eerste de markt bereikte, had de beste prijs. Zoiets als met vlaggetjesdag in Scheveningen: wanneer de eerste nieuwe haring aan wal wordt gebracht. De lange en ondiepe platbodemschepen werden hoofdzakelijk ingezet om turf te vervoeren, naar bijvoorbeeld de boerderijen in het uitgestrekte Friese land.

 

Het huidige Skûtsjes Silen is dus een voortzetting van die strijd. Nu een toeristische trekpleister, maar ook een eervolle aangelegenheid. En er zijn regels. Zo luidt een van de regels dat de schipper uit een Fries schippersgeslacht moet komen.

 

Tientallen jaren waren er veertien skûtsjes, die eind juli op de Friese meren tegen elkaar streden en dat nog steeds doen. De veertien skûtsjes zijn gelinkt aan veertien dorpen en steden. Vergelijkbaar met de Friesche Elfsteden. Ze noemen zich SKS. Ik zal u niet vermoeien met waar dat voor staat, het is Fries.

 

Bij deze veertien dorpen en steden wrong na verloop van tijd een schoen: andere skûtsjes meldden zich. Maar werden niet toegelaten. De veertien bleken een gesloten club. Op hun beurt hebben deze skûtsjes hun eigen club opgericht, de IFKS en hebben zich in een enorme groei mogen verheugen. Er zijn er inmiddels wel vijftig. 

 
Uit alle hoeken en gaten werden oude skûtsjes, soms vervallen tot lelijke woonboten of erger nog, half gezonken, te voorschijn gehaald. Ze werden met veel enthousiasme opgeknapt en verbouwd. En nu zeilen ze weer als prachtige, trotse schepen op de Friese meren. 

En ook zij houden wedstrijden. Door het enorme aantal zijn ze ingedeeld in klassen. Het hoogtepunt van hun wedstrijden is half augustus, de IFKS.

 

Ook de IFKS kent regeltjes, zij het wat minder strikte. Als het gaat om de schipper bijvoorbeeld, dan mag deze ook elders uit Nederland komen. De regels betreffen vooral het schip, de zeilen, de mast, de toebehoren en dat soort dingen. Af en toe zijn er net als bij SKS uitwassen: zo moeten de skûtsjes hun oorspronkelijke kleur hebben. Wijkt de kleur af van het origineel, dan volgt diskwalificatie!

 

Als er geen wedstrijd wordt gevaren, wordt er gecharterd. Dat is ook een van de verdiensten van IFKS: er zijn zoveel schepen en de kosten zijn hoog, er moet dus worden bijverdiend. Want ook de eisen zijn hoog: wil men winnen, dan moet er veel onderhoud worden gepleegd. En moet er steeds beter materiaal worden aangeschaft. Het charteren brengt geld in het laatje. Het Skûtsjes Silen is daarmee ook voor anderen, niet Friezen, toegankelijk geworden.


 

Zo heeft mijn dochter, Renée, een aantal jaren geleden een studententeam aangemeld. Ze zeilen inmiddels niet onverdienstelijk in de IFKS kleine A-klasse wedstrijden mee: met de Elisabeth, als logo een kikker in het zeil, werden ze dit jaar zesde in hun klasse, in een veld van negentien. Subtoppers dus. En dat voor studenten!