De medische zorg, mijn verwonderpunten

Ik ben de laatste tijd wat vaker in aanraking gekomen met de medische zorg. Dat komt omdat ik Renée, mijn dochter van 24, vergezel naar allerlei instanties op medisch gebied. Zij heeft chronisch ernstige pijn in de onderrug omdat daarboven een zogeheten blokwervel zit. Daar is ze mee geboren. Er zijn specialisten die zeggen dat er daardoor geen aanleiding is om een ‘ander’ leven te hoeven leiden. Anderen zeggen, dit hebben we nog nooit gezien! Ik zou zeggen, mijn eerste verwonderpunt!

 

Na lange tijd ons met de specialisten op de blokwervel geconcentreerd te hebben, hebben we op eigen initiatief op enig moment besloten dat ‘het roer om’ moest en dat we ons beter op de pijn konden concentreren en wat haar veroorzaakte, dan op de blokwervel als zodanig.

We hadden de indruk dat er van overbelasting sprake is. Tweede verwonderpunt: waarom komen de specialsiten niet op deze gedachte? Vervolgens zijn we bij weer andere specialisten en ook bij de pijnpoli beland. 


Even tussendoor een aantal  meer algemene verwonderpunten: de specialisten binnen één gebouw, hebben elk een eigen balie. Wij rennen van de een naar de ander en overal vullen we, na lang wachten,  dezelfde formulieren handmatig in! Om maar te zwijgen van de enorme aantallen receptionistes en/of verpleegsters, die overal rondlopen en die ook nog eens naar elkaar verwijzen. Er lijkt ruimte voor heel erg veel efficiency verbetering. Met grote besparingen.

Daarnaast valt op dat de medische zorg zeer sterk automatiserings-gedreven is, maar bij de receptie hanteert men sterk verouderde technieken: veel gaat met de hand, er is erg veel dubbel werk, waardoor veel fouten. En ze gebruiken soms nog doorslagen met carbonpapier! Verwondering!

Zitten we bij de pijnspecialist, blijkt het niet zo’n sympathieke of beter, niet zo’n empathische man. Hij kwam erg ongeïnteresseerd over. Om dat te verdoezelen, stelde hij wat vragen in de persoonlijke sfeer, zo van wat studeer je, oh dat, wat houdt dat in en ik zie dat je werkt voor een bedrijf dat zonnepanelen verkoopt, welke zijn volgens volgens jou de beste en dat soort beleefdheidsvragen. Ze leken uit het cursusboek ‘Empathie voor Dummies’ te komen. We zaten daar helemaal niet op te wachten, niet op dat moment. Er is een urgent probleem en daar willen we het over hebben! Ter zake graag!

Okay, we komen ter zake. Er is enige medicatie. Er is een apparaatje, Tens geheten, dat de zenuwen rondom de pijn beïnvloedt, maar veel meer is er niet. Hij blijkt al gauw over pijnbestrijding uitgepraat te zijn. Hij zegt erbij dat je op zo’n jonge leeftijd niet te veel medicijnen moet gebruiken. Tegelijkertijd komen we tot de conclusie dat je op zo’n jonge leeftijd niet structureel zoveel pijn zou moeten hebben, namelijk zodanig dat je niet (meer) kunt werken, respectievelijk nog maar een heel beperkte actieradius hebt. Veel verder kwamen we niet. Hij wekte voortdurend de indruk dat onze tijd op was en dat we weer moesten opstappen, respectievelijk de vragen die we hadden aan de assistente moesten stellen.

Verwonderpunt:  waar is juist bij iemand die zich in pijn en pijnbestrijding heeft gespecialiseerd, het gevoel dat hij of zij je helemaal van die pijn te wil afkrijgen?

Enfin, wij zijn inmiddels weer wat verder en hebben gelukkig een empathische ortho-manuele therapeut gevonden. Een goede vriend van mij. Ik ben hem dankbaar!

What’s The Problem? Een management techniek

Ruim dertig jaar geleden volgde ik een eenjarige management opleiding in Lausanne aan het Meer van Genève. In Nederland bestonden dat soort langdurige opleidingen (nog) niet. In Amerika waren die toen al sterk in opkomst. In Europa waren er maar vijf steden die zo’n opleiding aanboden.

Welnu, al een van de eerste dagen leerden we hoe we een business probleem konden oplossen. Oh, zul je zeggen, dat is ook wat, we kennen geen problemen, we kennen slechts oplossingen! Ik ben het daar van harte mee eens. Maar dit is niet een vorm van ‘probleemdenken’. Het gaat bij deze vraag om een goede probleemdefinitie, de probleemstelling, als begín van een oplossing.
Wij leerden dat het precies definiëren van het probleem in veel gevallen de oplossing in zich draagt. Als het probleem helder en specifiek was neergezet, we kregen daar les in aan de hand van case studies, dan konden we gaan bepalen waar de oplossing aan moest voldoen. Zo formuleerden we de criteria waaraan de oplossing kon worden getoetst. Goed nadenken! Niet te snel genoegen met slechts een paar criteria nemen! Houd in je achterhoofd dat de criteria niet alle van gelijk gewicht zijn.
 
Als dat gedaan was, bedachten we de alternatieven als oplossing van het probleem. Vaak zie je dat men met twee alternatieven genoegen neemt. Ik heb toen kunnen vaststellen dat er altijd tenminste drie oplossingen zijn! Soms heb je twee hoofdrichtingen en dan vallen daar weer meerdere alternatieven onder.
Neem bijvoorbeeld de volgende probleemstelling: wat gaan we vanavond doen? De alternatieven zijn: 
We blijven thuis, we gaan naar de bioscoop of we gaan ergens heen fietsen. Dat zijn drie alternatieven. Je kunt er ook, wat men in Lausanne noemde, een decision tree van maken en dan blijken er twee hoofdrichtingen te zijn: 
We blijven thuis of we gaan uit. Aan beide richtingen hangen weer alternatieven, bijvoorbeeld bij thuisblijven, we gaan eten – met als alternatieven, zelf koken, laten bezorgen, of we gaan tv kijken – welke programma’s kiezen we. Gaan we uit, wat gaan we dan doen, bijvoorbeeld gaan we naar de bioscoop of gaan we fietsen. Bij de keuze voor bioscoophangen weer keuzes voor films aan vast, bij fietsen, routes, enzovoort, enzovoort. 
Een precies werkje, maar wel ordenend voor de gedachten.
 
Als je weet welke alternatieven er zijn,  benoem je wat in Lausanne werd genoemd, de constraints. Dat zijn de beperkingen of randvoorwaarden waaronder en waarmee we leven en waardoor een alternatief eventueel afvalt. Denk aan bijvoorbeeld geld of wetgeving. Een oplossing zou heel goed kunnen, maar er is onvoldoende budget, of hij is misschien in strijd met de wet. Dan valt hij af. Of, in het voorbeeld hierboven, bepaal je dat regen wellicht een beperking is: als het regent valt het alternatief van uitgaan af. Of je vindt er iets op: een paraplu!
Nu zijn we klaar. Het decision framework staat! Je kunt nu bepalen welke oplossing ‘boven komt drijven’. Bevalt deze toch niet, dan heb je ergens een vergissing gemaakt of een verkeerde weging gedaan.
 
Dus, heb je een business probleem op te lossen dan doe je het volgende: 
you take a clean sheet of paper and you think!

Een blog over toezichthouders

In september 2008 brak de kredietcrisis uit, in Europa. Vervolgens kwam er een stroom van kritiek los, vooral gericht op de toezichthouder van de banken, De Nederlandsche Bank. Dat werd nog eens versterkt door latere debacles zoals Icesafe en DSB.
Uiteindelijk mondde de kredietcrisis niet alleen uit in een (dubbele) recessie, de schuldencrisis en eurocrisis, maar ook in een parlementaire enquete. Je hoorde en zag medewerkers van De Nederlandsche Bank, aangevoerd door haar president, de heer Wellink (die ik hoogacht), verklaringen geven hoe het zo gekomen was en dat het toch echt niet helemaal aan hem en de Bank lag. Dat is ook zo. Het is een zeer complex gebeuren en niet één enkele instantie of persoon treft blaam, het zijn er velen.
 
Maar je zag Wellink denken: dit nooit weer! Daarmee had hij niet zozeer de crisis op het oog, maar veeleer zijn ’tocht naar Canossa’, het voor de leeuwen, politici, media, het volk geworpen worden.
Hoe voorkom je dat? Wat doet een toezichthouder hiertegen? Net als generaals met uitgekiende scenario’s de vorige oorlog gaan bestrijden, doet de toezichthouder dat tegen de vorige crisis. Allerlei maatregelen zien het licht, regels worden uitgevaardigd of verscherpt, het is een drukte van jewelste. Woordvoerders van de toezichthouder putten zich uit om via de media, congressen, spreekbeurten en wat dies meer zij, te wijzen op de risico’s die wij allen lopen. De toezichthouder kan zodoende niets meer verweten worden, hij heeft er immers voor gewaarschuwd! Begrijpelijk! En als het niet te ver doorschiet hoeft het ook niet noodzakelijkerwijs verkeerd te zijn.
 


 De ondertoezichtgestelden proberen in eerste instantie door lobby activiteiten onder de nieuwe regels en regeldruk uit te komen en als dat na verloop van tijd niet lukt, conformeren ze zich. Het gevolg is stilstand. De toezichthouder wijst initiatieven af en blijft waarschuwen voor de risico’s. Ook voor zaken waar ze niet voor zijn aangesteld. Ze breiden hun aandachtsgebied uit. Het risicomijdend gedrag grijpt om zich heen, precies zoals de toezichthouder het voor ogen had.
Na enige tijd echter, misschien wel jaren, staan er kopstukken uit de samenleving op, die wijzen op het teveel aan regels, de stapeling van regels, met als gevolg, verstarring, stilstand, verschraling en kaalslag. Om de wereld weer op gang te brengen, dient de oorzaak, namelijk het risicomijdende gedrag, aangepakt te worden.
Er volgen onderzoeken, wellicht een parlementaire enquete en wie zit er in het beklaagdenbankje, u voelt ‘m al aankomen, juist, de toezichthouder! Precies zoals hij het niet had bedoeld. Hij had immers zijn waarschuwende vinger bij alles wat maar denkbaar was opgestoken? 
 
Maar ja, dat gold voor de vorige crisis.

NB. Het grijs gemarkeerde van de tekst heb ik gekozen bij wijze van achtergrond. Grijs associeer ik met saai Grapje.

Stephen Covey 4, van af- naar onafhankelijk


In juli van dit jaar werden wij opgeschrikt door het treurige bericht dat Stephen Covey plotseling was overleden. Een val met de fiets is hem noodlottig geworden. Hij werd 79 jaar oud. Daarmee is een groot psycholoog, filosoof, wetenschapper, schrijver, spreker en zakenman van ons heen gegaan. Voor ons leeft zijn gedachtengoed voort. En daar hebben we veel aan. Ik ben hem dankbaar. Hoe ouder ik word, hoe meer ik de wijsheid van zijn gedachtengoed inzie.

Lees verder Stephen Covey 4, van af- naar onafhankelijk

Tanks (deel 3 van 3), allemaal op een rij

Wat ik al blogde, ik had een peloton met vijf tanks. Dat waren Leopard 1 tanks. Met nog twee andere pelotons vormden we een eskadron. Een eskadron had een eskadronscommandant en een plaatsvervanger, hij werd de second genoemd. Ook zij beschikten beiden over een tank. Al die tanks tezamen, zeventien stuks, afgezien van de groene bonnen, stonden opgesteld in een garage, een soort hangar, allemaal op een rij. Het leek op een brandweerkazerne, alle tanks stonden achter hun eigen deur. De bedoeling was dat ze aan het einde van de dag netjes uitgelijnd op een rij in die hangar  stonden.

Je begrijpt het al, op een zekere vrijdag, vlak voordat het weekend begon, stonden twee van mijn tanks twintig centimeter ‘uit lijn’. De second wees mij erop en sprak de verwachting uit dat ik dat nog even zou regelen. Ik besloot dat het niet nodig was en ging ook van mijn weekend genieten.
De volgende dag, zaterdag, was er een officieel diner in de officiersmess, ter ere van het Regiment Huzaren Van Sytzama.  Zo’n diner was altijd in smoking. De beroepsofficieren droegen ceremonieel tenue, de Attila, met sabel. Tijdens het diner werd ik door de second aangesproken op het feit dat ik de tanks niet had uitgelijnd en dus zijn ‘bevel’ niet had opgevolgd. Hij gaf mij te verstaan dat alsnog te doen. Dat betekende dat ik in mijn smoking naar de manschappenkantine moest gaan, een van de tankbestuurders moest zien te vinden, eentje die op dat uur nog niet dronken was en met hem de twee tanks in lijn moest gaan zetten.
Enfin, ik erheen in mijn smoking, allemaal grappen incasserend en trotserend, zo van ‘hé ober! vijf bier!’ en vond een bestuurder bereid de klus te klaren. De motoren van de twee tanks moesten eerst een kwartier warm draaien, dat was niet alleen voorschrift, maar ook nodig om ze in beweging te krijgen. Daarna was de klus snel gedaan. Ik ging weer gezellig naar het diner terug.
Maar daar was het ‘incident’ echter niet mee afgedaan. Men, de ‘meerderen’ in het bataljon, vond dat ik een bevel had genegeerd. Ik moest naar het oordeel van de second, wiens naam ik hier niet zal noemen, bestraft worden. Ik moest op ‘rapport geslingerd’, zoals dat heette. Mij wachtte arrest, licht of zwaar.  Er ontstond een warrige discussie, er waren officieren die vonden dat ik bij wijze van spreken aan de hoogste boom moest worden opgeknoopt, als voorbeeld voor anderen en er waren officieren, die wat er gebeurd was, te onbelangrijk vonden. Ikzelf sprak me niet uit, noch werd ik overigens gehoord.
Door tussenkomst van de bataljonscommandant, de baas van de eskadronscommandant, werd een oplossing bedacht: ik kreeg een brief, waarin stond dat ik nooit meer een bevel mocht negeren. Hij vond, met mij, de sop de kool niet waard. Maar het kon ook weer niet geheel onopgemerkt voorbij gaan.

Ik moet bekennen, dat ook de brief net als het incident, niet zo heel veel indruk maakte. Bevelen volg je op als ze er toe doen. Daar is geen brief voor nodig! Als het ‘nergens over gaat’ zou je heden ten dage zeggen: lekker belangrijk!

Skûtsjes Silen


Iedereen in Nederland heeft wel eens van het Skûtsjes Silen gehoord. Het zijn zeilwedstrijden met oude kleine vrachtschepen, die jaarlijks in de zomer tegen elkaar wedstrijdzeilen op de Friese meren.

 

Het stamt af van de tijden dat er nog geen gemotoriseerde schepen waren. Er werd toen ook al tegen elkaar gevaren, maar het was bittere, zakelijke ernst: wie het eerste de markt bereikte, had de beste prijs. Zoiets als met vlaggetjesdag in Scheveningen: wanneer de eerste nieuwe haring aan wal wordt gebracht. De lange en ondiepe platbodemschepen werden hoofdzakelijk ingezet om turf te vervoeren, naar bijvoorbeeld de boerderijen in het uitgestrekte Friese land.

 

Het huidige Skûtsjes Silen is dus een voortzetting van die strijd. Nu een toeristische trekpleister, maar ook een eervolle aangelegenheid. En er zijn regels. Zo luidt een van de regels dat de schipper uit een Fries schippersgeslacht moet komen.

 

Tientallen jaren waren er veertien skûtsjes, die eind juli op de Friese meren tegen elkaar streden en dat nog steeds doen. De veertien skûtsjes zijn gelinkt aan veertien dorpen en steden. Vergelijkbaar met de Friesche Elfsteden. Ze noemen zich SKS. Ik zal u niet vermoeien met waar dat voor staat, het is Fries.

 

Bij deze veertien dorpen en steden wrong na verloop van tijd een schoen: andere skûtsjes meldden zich. Maar werden niet toegelaten. De veertien bleken een gesloten club. Op hun beurt hebben deze skûtsjes hun eigen club opgericht, de IFKS en hebben zich in een enorme groei mogen verheugen. Er zijn er inmiddels wel vijftig. 

 
Uit alle hoeken en gaten werden oude skûtsjes, soms vervallen tot lelijke woonboten of erger nog, half gezonken, te voorschijn gehaald. Ze werden met veel enthousiasme opgeknapt en verbouwd. En nu zeilen ze weer als prachtige, trotse schepen op de Friese meren. 

En ook zij houden wedstrijden. Door het enorme aantal zijn ze ingedeeld in klassen. Het hoogtepunt van hun wedstrijden is half augustus, de IFKS.

 

Ook de IFKS kent regeltjes, zij het wat minder strikte. Als het gaat om de schipper bijvoorbeeld, dan mag deze ook elders uit Nederland komen. De regels betreffen vooral het schip, de zeilen, de mast, de toebehoren en dat soort dingen. Af en toe zijn er net als bij SKS uitwassen: zo moeten de skûtsjes hun oorspronkelijke kleur hebben. Wijkt de kleur af van het origineel, dan volgt diskwalificatie!

 

Als er geen wedstrijd wordt gevaren, wordt er gecharterd. Dat is ook een van de verdiensten van IFKS: er zijn zoveel schepen en de kosten zijn hoog, er moet dus worden bijverdiend. Want ook de eisen zijn hoog: wil men winnen, dan moet er veel onderhoud worden gepleegd. En moet er steeds beter materiaal worden aangeschaft. Het charteren brengt geld in het laatje. Het Skûtsjes Silen is daarmee ook voor anderen, niet Friezen, toegankelijk geworden.


 

Zo heeft mijn dochter, Renée, een aantal jaren geleden een studententeam aangemeld. Ze zeilen inmiddels niet onverdienstelijk in de IFKS kleine A-klasse wedstrijden mee: met de Elisabeth, als logo een kikker in het zeil, werden ze dit jaar zesde in hun klasse, in een veld van negentien. Subtoppers dus. En dat voor studenten!


De verkiezingen en het zwarte gat

Wat een spannende tijd is het toch: we leven al vier jaar in een crisis (diverse crises eigenlijk) en er zijn weer verkiezingen. En ook al gaan ze in detail steeds over net iets anders – de ene keer gaat het over de hypotheekrente aftrek (2010), de andere keer (dit jaar) bijvoorbeeld over Europa – de beloften blijven en het zwarte gat, zoals dat onlangs door iemand op de televisie genoemd werd, na de verkiezingen ook. Over dit zwarte gat wilde ik het eens even hebben.
Wat is bij verkiezingen dan wel van belang? Waar moeten we dan wel op letten?
Ik denk dat het vooral van belang is om een gevoel te krijgen hoe een lijsttrekker na de verkiezingen met dat zwarte gat zal omgaan. Dat hij of zij goed kan debaten, is naar mijn idee dus niet relevant. Ook zijn of haar ideologie doet er maar ten dele toe. Belangrijk is, hoe sterk is zijn of haar leiderschap, hoe standvastig, resp. hoe goed kan een lijsttrekker na de verkiezingen onderhandelen. Hoe zal hij voor de natie als geheel zorgen, hoe zal hij daar leiding aan geven. Dáár gaat het om, dáár zitten we op te wachten. En daar dienen we tijdens de verkiezingscampagnes een gevoel bij te krijgen.
Want de oplossingen voor allerhande inhoudelijke zaken komen ná de verkiezingen, in elkaar gezet door goede leiders.
En gelukkig, omdat we met meer dan twee partijen zijn, gaat het de ene keer wat naar rechts, de andere keer iets naar links, heel veel maakt het niet uit.
Gevaren zijn er ook: men staat steeds onder meer druk van de waan van de dag. Dus ook daar dienen we op te letten: hoe gaat de lijsttrekker om met die druk en dus vooral ná de verkiezingen. En daar willen we vóór de verkiezingen een gevoel voor krijgen.
Dat maakt het ingewikkeld, daarom is het niet in een eenvoudig ja of nee te vatten.

Tanks (deel 2 van 3), de groene bon

In mijn laatste blog (gisteren) had ik het over mijn diensttijd (1973 -1974) in het leger (even technisch: het was bij de Cavalerie waar we met Leopard 1 tanks reden) en de mogelijke komst van de Sovjets, of de Russen, dat deed er niet zoveel toe. Ze werden verzocht, vrij naar Paul van Vliet (zie vorige blog), niet in het weekend aan te vallen, want dan waren we er niet om enige tegenstand van betekenis te bieden…..

Behalve het gevaar dat uit het oosten kwam, zag ik ook de enorme bureaucratie die in het leger hoogtij vierde. Een tweede gevaar.

Neem de zogeheten groene bon. De groene bon kwam in de plaats voor iets dat gerepareerd moest worden. Als dat het geval was, bijvoorbeeld een auto of een tank, dan werd het onderdeel opgestuurd of weggebracht vergezeld van allerlei bonnen met doordrukjes van verschillende kleuren. Sommige bonnen gingen mee met het onderdeel maar de belangrijkste was de groene bon. Die bleef achter op de plaats van het desbetreffende onderdeel. Dat iets stuk was, gaf helemaal niets, zolang die groene bon er maar was, die toonde immers aan dat het onderdeel in reparatie was. En zo klopte alles weer.

Ik had als pelotonscommandant vijf tanks, waarvan er meestal twee of drie geheel of gedeeltelijk kapot waren. Soms was de hele tank voor reparatie ingeleverd. Een groene bon verving de tank. Dus zeiden wij tegen elkaar, dat als de Russen zouden komen, wij hun de groene bonnen zouden tonen en dan piepten ze wel anders.
Of alles op dit gebied in orde was, werd van tijd tot tijd gecontroleerd. Dat was de zogeheten mio inspectie. Toen ik in dienst kwam zei men mij dat je zo’n inspectie beter niet kon meemaken, omdat de mio inspectie erger was dan oorlog. Want wee degene die zijn bonnen niet op orde had. Ik heb zo’n inspectie inderdaad een keer meegemaakt. Gelukkig bleek alles te kloppen. Oorlog daarentegen heb ik niet meegemaakt. Of het moet in het weekend geweest zijn, toen we allemaal naar huis waren…..

Tanks (deel 1 van 3), de Sovjets


In 1973 / 1974 zat ik in dienst. Na een half jaar officiersopleiding bij de School Reserve Officieren Cavalerie (SROC) te Amersfoort te hebben gevolgd, werd ik in Duitsland gelegerd als pelotonscommandant. Ik ‘lag’ in Duitsland voor volk en vaderland.

De bedoeling was dat we Russen zouden tegenhouden, mochten die in het kader van de Koude Oorlog besluiten tegen het Westen op te trekken. De dienstplichtigen deden daar zeer laconiek over, in tegenstelling tot de beroeps. Ook ik geloofde daar niets van. Zo dom zouden ze toch niet zijn? 

Ze zouden het slimmer aanpakken, als ze al tegen ‘ons’ zouden optrekken. Slimmer, dan op een Tweede Wereldoorlog-achtige wijze proberen een land of een groep landen te veroveren. Landen die op hun beurt militair gezien redelijk goed georganiseerd waren. Denk aan de NAVO. We waren geen Afghanistan! (zou je nu zeggen). Overigens werd Afghanistan jaren later in 1979 door de Sovjet Unie toch echt binnengevallen, om wat de USSR betreft, orde op zaken te stellen. We kennen de afloop…..

Kortom, ik kon het allemaal niet erg serieus nemen. Net zo min als Paul van Vliet die in die tijd in zijn beroemde majoor Kees conferences zei dat “de Russen waren verzocht geworden niet in het weekend aan te vallen, gerekend vanaf vrijdag des namiddags zeventien honderd nul nul uur tot maandagmorgen zeshonderd nul nul uur, daar niet op enige tegenstand van betekenis gerekend hoefde te worden, geworden!”

De Maya’s (deel 2 van 2)

Men denkt dat de wereld dit jaar vergaat vanwege de Maya kalender. Daar was ik mijn vorige blog over dit onderwerp gebleven. Maar is dat ook zo? 
 
De cyclus eindigt volgens de Maya berekeningen eind 2012. Lange tijd dacht men dat het daar zou eindigen. Het goede nieuws is dat het niet eindigt, maar dat er een nieuwe cyclus begint. Alleen weten wij niet precies hoe zij zich die nieuwe cyclus voorstelden. Het patroon dat ze hadden berekend, ging niet verder dan 2012. En dat is meer dan duizend jaar na hun bloeitijd!
Persoonlijk geloof ik ook niet in het vergaan van de wereld. Daarvoor zijn we als mens en als mensheid nog niet ver genoeg ontwikkeld. De mensheid heeft te groeien en zich eerst verder te ontwikkelen. Als de wereld nu zou vergaan, zouden we, bij wijze van spreken en om oud premier Ruud Lubbers aan te halen, ‘het karwei niet hebben afgemaakt’. Wel geloof ik dat er zich een nieuwe ontwikkeling zal gaan aandienen. Er zal inderdaad een nieuwe cyclus ontstaan.
Ik heb ergens gelezen dat je de komst van zo’n cyclus zou kunnen zien als een geboorte. En voordat de geboorte plaatsvindt, zijn er geboorteweeën. Deze geboorteweeën staan voor alle crises die zich op talloze gebieden de laatste tijd aan ons openbaren: ik bedoel niet alleen de eurocrisis, ja die ook, maar ook de crises op andere gebieden. Neem de crisis waar het het geloof zich in bevindt, neem het misbruik in de katholieke kerk en elders. En ook andere schokken die we te verduren krijgen: het klimaat, de ontbossing, en ook de maatschappelijke en cultuurveranderingen die zijn ingezet vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. En niet te vergeten het gevoel van toenemende onveiligheid door terrorisme, misdaad. Mishandelingen, kindsoldaten, mensen die elkaar verminken, gekken die in het wilde weg schieten, enzovoort, enzovoort. Toenemende bureaucratie, gepaard gaand met corruptie, chaos, onzekerheid, onveiligheid, het is alom aanwezig en wordt door iedereen gevoeld. Er is zo langzamerhand geen gebied meer te noemen of er is iets mee aan de hand, vaak in ernstige zin.
Als dit geboorteweeën zijn, wat gaat hier dan op volgen? Wat voor moois? Als eerder al eens geblogd, ik ben een optimist. Ik denk dat er een hele positieve verandering aan zit te komen. Wanneer, ik weet het niet. Maar hij komt. Dat is het goede nieuws. 
 
Enfin, ik ben benieuwd.