A near miss, verhalen 5, 6, 7 en 8

(In aflopende volgorde)

5 juli 2020

8. Over een omgevallen mast

Mijn vader had in het najaar van 1965 een nieuwe boot gekocht, een Scheldeschouw van negen meter. Ik heb daar al vaker over geblogd. We kochten hem in Veere. Gedurende de winter brachten we de boot onder bij de bouwer in Terneuzen. Er werden allerlei verbeteringen aangebracht zoals het aanbrengen van een zeereling en er werd groot onderhoud gepleegd. 

Met Pasen in april 1966, gingen we de boot halen, we zouden hem van Terneuzen door Zeeland, langs Dordrecht en via de Ringvaart en Amsterdam uiteindelijk naar Muiden varen.

Bruggen bij Dordrecht

Spanjaarden aan boord

Op de tweede dag van de tocht, die we met z’n drieën maakten, mijn vader, mijn oudere zus en ik, kwamen we voor de spoorbrug van Dordrecht te liggen. De brug draaide niet. We moesten wachten. De mast strijken was voor ons met dit nieuwe schip geen optie. We wisten niet hoe dat moest. Maar een paar Spaanse zeelieden aan de wal meenden van wel. Mijn vader, die altijd met dit soort mensen aan de praat raakte (hij sprak overigens geen woord Spaans), raakte door hun ervan overtuigd dat het kon. Het plan was dat als de mast eenmaal gestreken was, we daarmee gemakkelijker de tocht door de rest van het land zouden kunnen voortzetten. We zouden immers niet voor iedere brug hoeven te wachten. Zo gezegd, zo gedaan, dachten we.

Voorbereiding

Te zien is de verbogen achterpreekstoel van de zeereling

We bereidden alles voor, brachten de strijktalie aan bij de voorstag en bokkenpoten, maakten de stag los, haalden de veiligheidsbout aan de mastvoet los en voor ik er erg in had, begon de mast al om te vallen. Ik zag het in een flits gebeuren en zie het ook nu nog voor me dat hij ging. Iedereen aan boord eigenlijk zag hem gaan. Een van de mannen greep de bokkenpoten in een kansloze poging het onheil te stoppen, ik eveneens net iets lager en zodoende werden we alle twee als het ware gelanceerd. Met een klap kwam de mast op het kajuitdak neer. Een doodse stilte, oorverdovend zou je kunnen zeggen, een stilte die een eeuwigheid leek te duren, viel over de boot en over ons neer. Toen we weer bij zinnen waren, het zal slechts enkele seconden hebben geduurd, riep mijn vader of ik gewond was. Dat was ik niet. De anderen ook niet. 

Ravage

We overzagen de enorme ravage: de mast lag schuin naar beneden op de gloednieuwe achterreling en op het kajuitdak, dat het wonderbaarlijk had gehouden. De punt van de mast raakte bijna het water. De schaar, waar de mast in gestreken stand op zou hebben komen te rusten, was doormidden geklieft. Deze had vermoedelijk de klap in eerste instantie opgevangen. De giek lag opzij geduwd, overal lag staand en lopend want in een schijnbaar onontwarbare kluwen over de de boot. De gebroken schaar en de verbogen zeereling was eigenlijk de enige schade. Het viel dus gelukkig mee, maar zo voelde het op dat moment helemaal niet.

Stutten

Nog bleek van de schrik gingen we aan de slag met het stutten van de mast. Hij moest noodgedwongen op het kajuitdak  blijven rusten totdat we een andere schaar te pakken zouden krijgen. We ruimden verder alles zo goed en zo kwaad als dat ging op en vervolgden trillend en onder de indruk van het gebeurde onze tocht…

10 maart 2020

7. Drenkelingen

In de rubriek Een Near Miss verhaal ik over de bijna ongelukken (‘near misses’) die mij met mijn avontuurlijke vader overkwamen. Deze keer niet echt levensgevaarlijk, maar toch wel erg spannend: het oppikken van drenkelingen voor de Franse kust bij Duinkerken. Hier volgt het relaas.

‘White Cliffs Of Dover

In 1968 maakten we met het gezin waar ik als kind uit voortkom met onze boot een vakantietocht naar Engeland, een zogeheten Scheldeschouw van negen meter. Een lang gekoesterde wens van mijn vader. Hoe mooi zou het zijn met je eigen boot naar de ‘White Cliffs of Dover’ te zeilen? Ze in de verte aan de horizon te zien opdoemen!

En zo voeren we op een vakantiedag in juli naar Oostende, België. Vandaar zouden we de oversteek wagen. 

De volgende dag vertrokken we, mijn vader, mijn oudere zus (17) en ik (15). Een goed geolied team, wij hadden al vele tochten gemaakt. Mijn moeder en jongste zus gaven er de voorkeur aan met de ferry te gaan.

‘Het zeegat uit, de zeegang in’

Met een flinke, westelijke windkracht 5 tegen, voeren we in westelijke richting, tegenwind dus, ‘het zeegat uit, de zeegang in’. Onze Scheldeschouw kende een gaffelgetuigde uitvoering. Deze kenmerkt zich niet direct door zijn snelheid bij aan-de-windse koersen, eerder om zijn drift (afdrijving) bij zo’n koers. We hadden het dus nogal zwaar. Na uren en uren varen, kruisen tegen de wind en golven in, af en toe de motor bij, hadden we eigenlijk geen idee meer waar we waren. In 1968 hadden we niet meer tot onze beschikking dan ons eigen ‘gegist bestek’.

Blijdschap en teleurstelling 

Twee willekeurige boeien in een onstuimige wereld…

Op enig moment zagen we een boei. Toentertijd, dus zonder gps of andere handige navigatiehulpmiddelen, was het zien van zo’n boei een reden om te juichen! Het gevoel dat er weer een oriëntatiepunt was, gaf een enorm gevoel van blijdschap. Nu wisten we weer waar we waren! Nu alleen nog afwachten hoe de boei zou heten en we zouden het snel weer te weten komen. De blijdschap sloeg om in teleurstelling:  de boei bleek Bergues te heten, maar op de kaart konden we hem aanvankelijk niet eens vinden. Toen we hem eenmaal hadden, bleken we na al die uren slechts slechts twintig zeemijl uit de kust van Oostende te zijn. Op een derde van de tocht pas. Als dit zo zou doorgaan, zouden we er veel te lang over doen, we zouden moe worden en onze maaltijden zouden opraken. Dus na rijp beraad besloot mijn vader koers te zetten naar Duinkerken. Wind mee, met een lekkere snelheid recht erop af. Morgen zouden we verder zien.

Speedboat

Voor de kust van Duinkerken zagen we een omgeslagen speedboot. Drie mannen zaten er bovenop. Er cirkelde een motorbootje omheen, maar ons leek het dat die in deze golven niet veel kon uitrichten. Dus voeren wij ernaar toe. Per slot van rekening waren we ooit op Loosdrecht begonnen. Daar hadden we menig reddingsactie van omgeslagen 16 kwadraten (BM in de volksmond) met succes ondernomen. Mijn vader aan het roer en ik als een ‘hinde over het dek’. 

In de hoge golfslag – lagerwal – namen we een van de mannen met veel gedoe aan boord. De andere twee gingen met het motorbootje mee. De man kon niets uitbrengen: hij was totaal uitgeput. Mijn vader gaf hem cognac. Dat hadden we kennelijk aan boord. We bleven een tijdje op deze plaats heen en weer schommelen, totdat hij zijn verhaal kon doen. In het Frans. Hij vroeg ons zijn speedboot mee te nemen. Maar het lukte ons niet een sleeplijn aan de omgeslagen boot te bevestigen. Er stond immers een enorme zeegang, lagerwal voor de kust van Duinkerken. Na vele pogingen, besloten we dat ik zou proberen met behulp van onze bijboot een lijn om de buitenboordmotor van de speedboot te bevestigen. De bijboot te water, ik erin, wat een golfslag! Maar het lukt: ik kreeg de lijn om de buitenboordmotor. Zo sleepten we de speedboot op z’n kop naar de haven. Ook dat ging niet vanzelf: de speedboot lag behalve op z’n kop, vooral onder water, dus het ging tergend langzaam. Na wat een eeuwigheid leek te duren kwamen we in de haven van Duinkerken aan. Het zag zwart van de mensen op de strekdammen en de kade, het leek alsof de halve stad was uitgelopen. Een van de twee mannen die al eerder waren gered, rende heen en weer om ons te wijzen waar we moesten gaan liggen. We legden aan, maakten de speedboot los en gingen ons zorgen maken hoe mijn moeder te bereiken. Zij stond met mijn jongere zus immers in Dover op ons te wachten.

Telegram

’s Avonds kwam de door ons geredde man bij ons langs, een en al dankbaarheid. We wisselden gegevens uit. Hij regelde voor ons dat we een telegram naar de jachtclub in Dover konden sturen, hopende dat mijn moeder daarheen zou gaan in haar pogingen uit te vinden wat er van ons geworden was.

De volgende dag zijn we met gunstiger wind alsnog in Dover aangekomen en werd het gezin herenigd.

Nog jarenlang ontvingen we van de man uit dankbaarheid kerstkaarten.

17 februari 2019

6. Bijna aanvaring

Ook nu weer een ‘near miss’. Het is de zesde in een reeks. Dit keer over een avontuur met mijn vader en de boot, een gaffel getuigde Scheldeschouw van negen meter. Het was 1967, we waren op de terugweg van onze zomervakantie met de boot van de Duitse Wadden. We hadden het tot Norderney gebracht. En weer terug. 

‘Binnendoor’

Bij Delfzijl besloot mijn vader ‘binnendoor’ terug te gaan, dat wil zeggen, over de kanalen en rivieren in tegenstelling tot het alternatief, de Waddenzee. Dit werd mede ingegeven door mijn moeder die helemaal niet van het grote water hield. Ook al is de Waddenzee ook niet echt groot water, dat is de Noordzee. We hadden deze vakantie al heel wat avonturen beleefd, waaronder voor het eerst ‘droogvallen’  en het was wel mooi geweest. We roken de stal.

Ontspannen

Zodoende voeren we op een zeker moment op het Eemskanaal, vanuit Delfzijl richting Groningen. Een druk kanaal met grote schepen, maar ook weer niet zo druk dat je voortdurend scherp bent. We zaten gezellig te kletsen, er heerste aan boord een ontspannen sfeer na ruim twee weken vakantie. Dus achteraf gezien letten we niet voldoende op.

Rood/zwart

Ik zie nog de enorme rood/zwarte muur ineens uit het niets oprijzen. Net op tijd zag mijn vader aan het roer het ook, wierp het roer met veel kracht opzij met het risico dat we mogelijk op de wal zouden botsen, maar hij zag gelukkig ook weer kans met veel kracht terug te sturen. Niets aan de hand leek het. Het grote schip schoof voorbij. Het enige wat we zagen stijl omhoog kijkend langs de zwarte wand was een man hangend over de reling, die verbaasd naar beneden tuurde, wat daar allemaal gebeurde en naar de van schrik wit weggetrokken gezichten op dat kleine bootje waar wij op zaten…

22 juni 2018

5. Vastgelopen

Tijdens de memorabele vaartocht met mijn vader van Nederland naar Engeland in 1969 gebeurde er niet alleen wat ik in twee eerdere Near Misses besprak (we voeren met grote snelheid bijna op een boei – Near Miss 1 – en we verdwaalden op het Kanaal – Near Miss 3. Er gebeurde tijdens die tocht nog een bijna ongeluk. Tijd voor Near Miss 5 dus (zie voor de linkjes, onderaan deze blog).

Niet de eerste keer…

Het was niet de eerste keer dat we naar Engeland zeilden, maar echt ervaren kon je ons niet noemen. We voeren van Muiden naar IJmuiden, vervolgens naar Breskens, de dag erop naar Oostende. Weer een dag later waagden we de oversteek. Het plan was om naar Ramsgate te zeilen, een plaatsje waarvan we van het vorige jaar wisten dat het gezelliger was dan Dover. De tocht zou, afhankelijk van de wind, zo’n tien á twaalf uur duren. Gegeven het tij moesten we zodanig laat vertrekken dat het bij aankomst al donker zou zijn.

Het zeegat uit, de zeegang in…

We gingen ‘op pad’, het zeegat uit, de zeegang in. De tocht verliep voorspoedig. Tegen de tijd dat we weer land in zicht hadden (the white cliffs of Dover) was het inderdaad al aan het schemeren. We wisten niet goed waar we waren, maar we konden de kust en Ramsgate zien liggen.

The Goodwin Sands

We zeilden langs de ondiepe gronden van de Goodwin Sands en om er heelhuids voorbij te komen met in die tijd weinig tot geen navigatiemiddelen, was het van belang de sporadische boeien en lichtschepen goed in de gaten te houden en te peilen. Op enig moment hadden we het lichtschip South Goodwin ‘in de peiling’. Desondanks zijn  we op de Goodwin Sands terecht zijn gekomen, want plotseling voelden we bodem van de zee tegen het schip aan bonken, zodanig hard dat we ons rot schrokken. Enorme schokken. Terwijl ik dit schrijf, voel ik ze als het ware nog. Mijn vader riep tegen mij dat ik maar alvast de bijboot op het dek los moest gaan maken, met andere woorden, we zouden vergaan, zo erg waren de klappen. Ik ging aan de slag. Intussen gooide mijn vader het roer om, wat wij achteraf meenden dat onze redding was. We kwamen kennelijk in dieper water, want na enige tijd stopte het gebonk. Met een grote boog zeilden we om, waar we dachten dat de ondiepten waren, heen.

Wachtlopen

Bij de kust aangekomen en nog steeds wat geschrokken en bleek om de neus, konden we door de veelheid aan lichten de haveningang niet ontdekken. We voeren wat heen en weer maar gezien de eerdere ervaring van die avond op de gronden van Goodwin, durfden we niet teveel voor de kust buiten de diepe wateren te varen. Er was geen beginnen aan, we konden de havenlichten niet van alle andere onderscheiden. We besloten voor anker te gaan en de volgende morgen zodra het licht zou worden alsnog naar de haven te varen. Aldus geschiedde. We liepen wacht, ieder van ons twee uur. We waren met z’n drieën dus na zes uur waren we er doorheen. We voeren moeiteloos de haven binnen.

(Copyright: Rudolf de Soet 2025)