Het verpleeghuis (4-slot)

Dit is de vierde en laatste blog in een reeks van vier over het het Verpleeghuis waar wij, de kinderen, mijn moeder in hebben laten opnemen. De eerste twee blogs gingen over de voorbereidingen, de derde over de verhuizing.
Nu alles achter de rug is en mijn moeder inmiddels een maand in het verpleeghuis woont, is de centrale vraag die overblijft: deden we het goede? Mochten en moesten we dit (haar aan) doen? Mijn oude moeder van bijna 95 hield al die jaren vol dat ze in haar zo heerlijke appartement wilde sterven en nergens anders. Een begrijpelijke wens. Wij gingen er tegenin. Dat voelde helemaal niet goed.

Ingezonden brief

Ik las een ingezonden brief over dit onderwerp in de Volkskrant van 2 september, geschreven door huisarts Danka Stuijver. Ze schrijft dat de terminale thuiszorg op sterven na dood is. Ondanks alles zie ik het grappige van de woordspeling in. Er is een tekort aan zorgpersoneel voor terminale en palliatieve thuiszorg. In haar brief gaat het om een oude postbode en zijn enige dochter die hem verzorgt.  De dochter woont een uur rijden van hem vandaan. Het is een zware opgave, boodschappen doen, alles in huis op orde houden, eten opwarmen en een extra portie voor de volgende dag neerzetten. Na enige tijd wordt de oude, demente postbode terminaal en kan hij niet meer thuis verzorgd worden, zeker niet door de dochter. Er zit niets anders op dan hem naar een hospice te verplaatsten. “Maar hij wil dit niet!” roept de dochter vol afschuw uit. Wat te doen?

Zorg’schil’

Wij, de drie kinderen van mijn oude moeder, weten er nu alles van: in de loop der jaren schakelden we allerlei zorgmensen in, als een schil om haar heen. We bezochten haar wekelijks. Maar hoe los je de situatie op, dat onze moeder ‘s avonds belt en ze heeft haar gehoorapparaat niet in. Geen communicatie mogelijk. Of ze belt en zegt dat de tv niet aangaat. Na doorvragen blijkt dat ze de afstandsbediening van het zonnescherm in haar hand te heeft. Ga maar eens door de telefoon met een slechthorende uitzoeken waar de juiste afstandsbediening zou kunnen zijn. Of de stroom valt uit en ze gaat volkomen verward het huis uit. Ze valt en ligt uren op de grond totdat een zorgmedewerker of een van ons haar daar aantreft. Ze heeft een touwtje om haar nek met een alarm eraan, maar “dat is voor oude mensen, niet voor mij”. Dus het ding slingert ergens rond. Uitleggen hoe noodzakelijk zo iets is, is ze na vijf minuten alweer vergeten. 

Achteruit

En stel nu dat de betrokkene ineens hard achteruit gaat en bijvoorbeeld incontinent wordt, zoals in het krantenartikel beschreven. Zover zijn wij nog niet met onze moeder, gelukkig. Kan een demente oude dame van haar kinderen verlangen dat ze alles laten vallen en min of meer bij haar intrekken om de terminale en even later palliatieve zorg te verlenen, ondeskundig als ze zijn? Of is het beter haar – bijtijds – onder te brengen in een omgeving met vierentwintig uur, zeven dagen per de week professionele zorg om haar heen? Haar thuis-sterf-wens zoals bij de oude postbode en ook onze moeder negeren en trotseren? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Schuldgevoel

Wij hebben dat gedaan. We hebben haar wens naast ons neergelegd. Emotioneel bepaald niet eenvoudig. Het is vooral een schuldgevoel. Maar nu, een maand later, zijn we wat blij dat we dit gedaan en doorgezet hebben. Ze zit nu in een gesloten afdeling van een verpleeghuis, kan niet meer verdwalen, als ze valt is er vrijwel meteen iemand bij, als ze in de toekomst terminale zorg nodig gaat hebben, zijn er professionals 24 uur om haar heen. 

Thuis-sterf-wens

Na rijp beraad hebben we dus haar thuis-sterf-wens genegeerd. Mochten we dat doen? Jagen we haar nu de dood in omdat ze zo hartverscheurend ontheemd is, de warme jas die haar appartement voor haar was, uitgedaan, weg veilig gevoel? ‘Oude bomen moet je niet verplaatsen’?
Inmiddels is er als gezegd een maand verstreken. Wat blijkt? Ze is helemaal tevreden. De eerste tien dagen zei ze alleen maar naar huis te willen. Ik kwam iedere dag langs, op de fiets en nog steeds. In het begin soms zelfs twee keer per dag, om zoveel mogelijk houvast te geven. De eerste dagen zei ze telkens bozig, “kom je me halen?” Of, “gaan we naar huis?” Maar op al vrij snel was ze vergeten waar ze ook al weer woonde en vroeg ze of ze hier, wijzend naar haar kamer, woonde.

”Ja, hier woon je. In deze kamer,” antwoordde ik.
”Mooie kamer, gezellig.”
”Ja, deze kamer hebben we voor je ingericht.”
”Waar woonde ik eerst?”
“In Zeist.”
”Kon ik daar niet blijven?”
”Nee, het was te groot.”
“Oh ja, te groot.”

Inmiddels kan ik rustig aan haar vragen:

“Bevalt het je hier?”
“Ja, ik ben hier zo gelukkig, ik zou hier nooit meer weg willen. En al die mensen om me heen! Nee, ik zit hier goed. Kijk eens wat een mooie kamer! En jij woont hier geloof ik vlakbij, niet?” Ze is haar vertrouwde appartement alweer vergeten.

De conclusie na vier blogs

We deden het goede. Tegen iedereen die voor dit soort afwegingen staat: een verpleeghuis met 24-uurs zorg is voor iedereen de beste oplossing, voor de betrokken oudere (goede, professionele, permanente zorg) en voor ons, kinderen (er is een last van ons af gevallen). Als we nu op bezoek komen, kunnen we echte aandacht geven en zijn we niet bezig allerlei zaken in haar aanwezigheid te regelen.
De gedachte die vaak bij het wegbrengen van mijn moeder naar het verpleeghuis en daarna door mijn hoofd speelde was dat het deed me denken aan een kleuter die je voor het eerst naar school brengt. De kleuter wil niet, verzet zich, wil bij de moeder blijven. Het begint te huilen en te stampvoeten. Tegen de wil van het kind in, doe je als ouder wat je denkt dat het beste is en je zet door. Ook al is het bij tijd en wijle hartverscheurend, het achterlaten van de huilende kleuter, de huilende moeder…

Het is goed zo!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.