In de rubriek Verhalen, hier een nieuw Kort Verhaal. Het staat ook onder de menubutton ‘Verhalen’.
De tramrit
Het was donker buiten. Binnenin in de tram brandden de lampen, waardoor hij, toen ze instapte, zag hoe ze uit haar ogen keek, Ja, die blik, die herkende hij. Uit duizenden.
Ze plofte neer op de stoel tegenover hem en zette haar tas op de stoel naast zich. Ze keek naar buiten, de duisternis in. Haar adem deed het raam beslaan. De tram maakte een schokkende beweging.
Hij nam haar op en wist het zeker. Zij was het, ouder natuurlijk, maar onmiskenbaar.
Hij schuifelde op zijn stoel heen en weer. Ze zou hem zeker op enig moment aankijken en herkennen. Dan moest hij iets zeggen.
Ze draaide zich om en keek hem aan. Hij keek terug.
‘Ben jij…?’ Ze zeiden het tegelijk en schoten in de lach.
‘Ik weet het zeker,’ zei hij.
Ze glimlachte. ‘Ik herken jou ook.’
Een warme stroom trok door zijn lichaam.
Haar blik haakte zich in de zijne. ‘Ik moet bekennen dat ik je hier in deze tram vaker zie zitten. Maar ik twijfelde. Durfde ik de tram in te gaan om het je te vragen? Wat zou je zeggen? Vandaag moest ik met deze tram mee, dus trok ik de stoute schoenen aan en ging hier direct tegenover je zitten. Waarom waagde ik die stap nu wel? Vreemd hè?’
‘Je bedoelt onderzoeken of ik het werkelijk was?’
‘Ja.’
‘Niets vreemds aan, hoor.’
Het gevoel kwam terug, dat van ooit, tijdens dat laatste schooljaar op de HBS. Hij haalde diep adem en liet hem weer langzaam ontsnappen. Hij herinnerde zich die muffe geur van sigarettenrook in de klaslokalen. Hun leraar Duits met zijn dikke baard. Hij hoorde de klap waarbij die man het boek ‘Schwere Wörter op tafel liet vallen. Oh nee, niet weer die Duitse woordjes!
Dat gevoel van vrijheid, slechts begrensd door het eindexamen. De ontdekking van de liefde, hún liefde, hun groei, hun toekomstplannen. Die onbezorgdheid borrelde op, nu ze tegenover hem zat en hem na al die jaren weer in de ogen keek.
Onbezorgd, nee, dat was niet langer het geval. Kinderen, werk, de wereld, het klimaat, oorlogen.
Wat een verschil met toen. De Koude Oorlog en Vietnam. Dat was het wel zo’n beetje.
‘Hoe is het met je?’ vroeg hij.
‘Goed.’ De glimlach verdween en maakte plaats voor verbeten ernst. Ze keek hem strak aan. ‘Ik heb een kind verloren.’ Het was alsof ze het eruit gooide.
‘Wat vreselijk! Dat spijt mij zeer.’
‘Ik ben er wel overheen, hoor.’ Ze huiverde.
‘Kan dat dan?’
‘Nee, niet dus. Elk cliché is waar. Het leven gaat door.’
‘Wat verschrikkelijk. Heb je andere kinderen?’
‘Ja drie. Dat klinkt zo gek. Ik had altijd vier kinderen en nu drie. Hoe moet het zijn als je een enig kind verliest. Dan heb je ineens geen kinderen meer.’
‘Dat klinkt alsof het altijd nog erger kan, maar dat biedt geen troost, lijkt mij.’
‘Inderdaad. Er is geen troost. Er is alleen de tijd die voorbij glijdt.’ Ze fronste en draaide haar gezicht opnieuw naar het raam en keek de donkere nacht in.
Hij keek naar haar. ‘Wat verschrikkelijk voor je.’
Ze staarde nog steeds naar buiten. De ruit besloeg opnieuw. Even later draaide ze zich weer naar hem toe en glimlachte. ‘‘Wat waren we verliefd, hè.’
‘Ja.’
‘Ik wist toen al wel dat het niet voor altijd was.’
’Als je zo jong bent, is het bijna onmogelijk de liefde in stand te houden, denk ik. Want allebei ontwikkel je je in die fase sterk en ieder van ons anders, in verschillende richtingen en met een ander tempo. We deden eindexamen, gingen studeren, je krijgt nieuwe vrienden, voor je het weet ben je uit elkaar gegroeid.’
‘Zo gaat dat.’
‘No hard feelings?’
’Nee. Helemaal niet. Eraan terugdenkend, geniet ik er weer van.’
Ze zwegen, glimlachten naar elkaar.
Haar blik verplaatste zich naar de monitor. ‘Ik ben er. Ik moet uitstappen.’
‘Zullen we wat afspreken? Gezellig bijpraten?’
‘Ja, laten we dat doen.’ Ze liep naar de deur die voor haar neus openging. Ze hield haar ov-kaart voor het kastje. Het klingelde.
‘We bellen,’ riep ze en maakte met haar hand het telefoongebaar voordat ze zwaaide.
‘Ja leuk!’
De deur sloot. Ze verdween in de nacht, zoals ze kwam.
Zijn hand zweefde nog halverwege in de lucht. Haar nummer!