De tramrit

Het was donker buiten en ook al brandden de lampen binnenin de tram, ze was niet goed te onderscheiden. Niettemin meende hij dat zij het was. 
Ze plofte op de stoel tegenover hem neer en zette haar tas op de stoel naast zich. Ze keek naar buiten, de duisternis in. Haar adem deed het raam beslaan. 
Hij twijfelde niet langer, zij was het, zijn allereerste, echte liefde, tijdens dat laatste schooljaar op de HBS. Ze keek in het niets, ze leek content.
Wat moest hij zeggen? Wat kon hij zeggen? Ze zou hem zeker op enig moment aankijken en ook herkennen. Hij nam haar op. Ze was het, ouder natuurlijk, maar onmiskenbaar.
Ze draaide zich om en keek hem recht aan. Hij keek terug.
‘Ben jij…?’ Ze zeiden het tegelijk en schoten in de lach.
‘Ik weet het zeker,’ zei hij.
Ze glimlachte. ‘Ik herken jou ook.’
Een warme stroom doortrok zijn lichaam. 
Haar blik haakte zich in de zijne. ‘Ik moet bekennen dat ik je hier in deze tram vaker zie zitten. Maar ik wist het natuurlijk niet zeker. Ik twijfelde. Durfde ik de tram in te gaan om het je te vragen? Wat zou je zeggen? Vandaag trok ik de stoute schoenen aan. Waarom waagde ik nu de stap wel? Vreemd hè?’
‘Je bedoelt onderzoeken of ik het werkelijk was?’
‘Ja.’
‘Niets vreemds aan, hoor.’
Het gevoel kwam terug, dat van ooit, toen op de HBS. Hij haalde diep adem en liet hem langzaam ontsnappen. Hij rook weer die muffe geur van sigarettenrook in de lokalen. Het beeld van hun leraar Duits, met zijn dikke baard, kwam boven. Hij hoorde weer de klap waarbij die man het boek ‘Schwere Wörter op tafel liet vallen. Het gevoel van vrijheid, slechts begrensd door het eindexamen, het kwam weer boven. De ontdekking van de liefde, hun groei, toekomstplannen. Die onbezorgdheid borrelde op, nu ze tegenover hem zat en hem na al die jaren weer in de ogen keek. Onbezorgd, nee, dat was niet langer het geval. Kinderen, werk, de wereld, het klimaat, oorlog in Oekraïne en het Midden-Oosten. Wat een verschil met toen.
‘Hoe is het met je?’ vroeg hij slechts.
‘Goed.’ De glimlach verdween en maakte plaats voor verbeten ernst. Ze keek hem strak aan. ‘Ik heb een kind verloren.’ Ze gooide het eruit. 
‘Wat vreselijk! Dat spijt mij zeer.’
‘Ik ben er wel overheen, hoor.’ Ze huiverde.
‘Kan dat dan?’
‘Nee, niet dus. Elk cliché is waar. Het leven gaat door.’
‘Wat verschrikkelijk. Heb je andere kinderen?’
‘Ja drie. Dat klinkt zo gek. Ik had altijd vier kinderen en nu drie. Hoe moet het zijn als je een enig kind verliest. Dan heb je ineens geen kinderen meer.’
‘Ja. Het klinkt alsof het altijd erger kan, maar dat biedt geen troost, lijkt mij.’ 
‘Inderdaad. Er is geen troost. Er is alleen de tijd die voorbij glijdt.’ Ze fronste en draaide haar gezicht opnieuw naar het raam en keek de donkere nacht in, alsof ze hoopte daar iets van troost te vinden.
Hij keek naar haar. ‘Wat verschrikkelijk voor je.’
Ze staarde nog steeds naar buiten, niet langer content. De ruit besloeg opnieuw.
‘Wat waren we verliefd, hè, toen.’
Ze draaide zich weer naar hem toe en glimlachte. ‘Ja.’ En even later: ‘ik wist toen al wel dat het niet altijd maar door zou gaan.’
’Als je zo jong bent, is het bijna onmogelijk de liefde in stand te houden, denk ik. Want allebei ontwikkel je je in die fase sterk en ieder van ons anders, in verschillende richtingen en met een ander tempo. We deden eindexamen, gingen studeren, je krijgt nieuwe vrienden, voor je het weet ben je uit elkaar gegroeid.’
‘Zo gaat dat.’
‘No hard feelings?’
’Nee. Helemaal niet. Eraan terugdenkend, geniet ik er weer van.’
Ze zwegen, keken elkaar glimlachend aan. 
Haar blik rustte op de monitor. ‘Ik ben er. Ik moet uitstappen.’ 
‘Zullen we wat afspreken? Gezellig bijpraten?’
‘Ja, laten we dat doen.’ Ze liep naar de deur die voor haar neus openging. Ze hield haar ov-kaart voor het kastje. Het klingelde. 
‘We bellen,’ riep ze en maakte met haar hand het telefoongebaar voordat ze zwaaide.
‘Ja leuk!’ 
De deur sloot. Ze verdween in de nacht, net zoals ze kwam. Zijn hand zweefde nog halverwege in de lucht. Haar nummer!

(Copyright: Rudolf de Soet 2026)