Kort verhaal (3): het verborgen luik

In de rubriek Korte Verhalen, hier een nieuw, kort verhaal. Het staat ook onder de menubutton ‘Korte Verhalen’.

Het verborgen luik

De wind rukte aan de deur en liet hem rammelen. Hij loeide om het huis, als wilde hij zijn gelijk halen en het steeds maar niet kreeg. Ze rilde, beet op haar lip en fronste. Dat gerammel moest stoppen. Haar oog viel op de tafel. Daarmee kon ze de deur klem zetten. Ze duwde ertegen. De tafel bewoog niet. Met een knalrood hoofd duwde en sjorde ze, met armen en achterwerk, het kreng kwam geen centimeter van zijn plaats.
Met een zucht deed ze een stap achteruit. Pas toen zag ze het: hij stond op het kleed. Heel even kneep ze haar ogen dicht, pakte het kleed en gaf er een ruk aan, de tafel bewoog gemakkelijk mee. Met een knal plaatste ze hem tegen de deur. Het gerammel stopte.

Nu het kleed was opgeschoven, kwam er een luik tevoorschijn. Met opgetrokken ogen en een wat gekanteld hoofd, trok ze aan het hengsel dat verdiept in het hout lag. Het luik schoot omhoog. Met  een klap viel het tegen de muur. 
Ze keek naar binnen. Een trap. Diep genoeg om te kunnen staan. Wacht, een zaklantaarn. Ze scheen op een hoop rotzooi, bedekt onder een dikke laag stof. 
Ze daalde de trap af. Ook al was het er droog, het rook muf en naar schimmel. In een hoek knisperde iets. Een muis, een rat? 
Het zweet stond in haar handen, ze omvatte de zaklantaarn steviger.
Er stonden oude meubels, een kast en enkele dozen. Haar oog viel op de enige kist. Ze maakte hem open. Stof dwarrelde op. Ze nieste. 
Boven haar hoofd gierde de wind om het huis. Het gerammel van de deur keerde terug. 
Laat maar even.
Ze scheen in de kist. Boeken. Ze pakte er een uit en sloeg het open. Een dagboek! Van wie zou dat zijn? Haar wangen gloeiden. Mocht ze dit lezen? Er viel een zwart-wit fotootje uit. Er stond een lachende jongeman op gekleed in uniform. 
Haar ogen schoten over de tekst.

16 mei 1942. Vandaag gebeurde dan toch wat ik zo vreesde: Erich mijn schat, mijn lieve verloofde is weg. Vertrokken. Naar het oostfront. Het is afschuwelijk. Zal ik hem ooit weerzien? Oh, wat is dit verdrietig.

Haar elleboog raakte de deksel. Met een klap viel hij dicht. 
Verboden gebied, dit dagboek, elk dagboek. 
Weer dwarrelde stof op. Het drong haar neusgaten binnen. In haar mond proefde ze het nu ook. Ze hoestte.
Al bladerend las ze over de dagelijkse dingen, toen, in huis, aangevuld met het verdriet over de vertrokken verloofde. Het dagboek liet weten hoe fijn ze het hadden gehad. Het samenzijn, de liefde, de feesten. Maar dat was nu voorbij.
Ze zakte door haar knieën en rustte met haar ellebogen op de rand. Ze keek op en staarde naar het punt waar de zaklantaarn op de grauwe muur scheen. Spinraggen. 
Haar adem stokte, toen het tot haar doordrong: oostfront, mei 1942, het fotootje van de jongeman in uniform, Erich, de verloofde. Haar maag trok samen bij het onontkoombare besef dat dit een onmogelijke liefde was geweest, een liefde die vast niet zonder gevolgen was gebleven. Ze voelde respect voor de schrijfster en haar vermoedelijk ongemakkelijke tweestrijd.
Met licht trillende handen richtte ze de lamp weer op het dagboek. 

22 augustus 1943. Mijn lieve schat wordt vermist.

Haar hand schoot naar mond.

Nu zal ik hem nooit meer zien en mijn lieve schat nooit meer in mijn armen sluiten. Wat is er met hem gebeurd? Hoe kom ik dat te weten? Ik kan wel janken! Dat doe ik ook. Hoe nu verder? Wat kan ik doen? 

Driftig bladerde ze verder. Er volgden enkele passages over huishoudelijke perikelen, zoals waar welk voedsel-op-de-bon te kunnen halen. Het dagboek maakte grote stappen in de tijd.

17 december 1943. Mijn leven hier wordt onmogelijk. In het dorp dragen ze mij na met een mof te lopen. maar hij is dood. Ze schelden mij uit. Ik hield van hem. Toevallig wel. Dat schijnt niemand te begrijpen. 
Zal ik zijn ouders in Frankfurt bezoeken? Dat zou fijn zijn, zij rouwen immers ook om hem. Ja, dat ga ik doen. Maar hoe kom ik daar? Het is oorlog.

De bladzijden daarna waren wit. Onbeschreven. Ze klemde het dagboek onder haar arm, snuffelde nog wat tussen de andere boeken, op zoek naar een vervolg, maar vond niets. 
Ze beklom de trap.
De deur rammelde en vloog open. Koude lucht sneed door haar heen. Het bracht haar meteen weer terug in het heden.
Ze sprintte erop af, het dagboek onder haar arm. Ze smeet de deur dicht.
Ze plofte in een stoel en staarde naar het dagboek. Wie was deze vrouw? Een tante? Is ze echt naar Duitsland gereisd, naar zijn ouders? Hoe verging het haar daar? En na de oorlog?
Ze liet het dagboek op tafel vallen. Ze wilde het weten, ze ging dit uitzoeken. Dit verhaal kruiste niet zomaar op haar pad. Het wilde worden gehoord.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *